Gustaaf Vermeylen en Gusta Mylemans
Inleiding
Dit artikel gaat over Gustaaf Vermeylen uit Schriek en Gusta Mylemans uit Heist-op-den-Berg. In hun jeugd woonden ze op een steenworp van mekaar. In 1929 trouwden ze en kregen 6 kinderen. Hun leven verliep zonder noemenswaardige problemen, tot de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Zoals voor vele mensen bracht de Tweede Wereldoorlog ook voor Gustaaf en Gusta enkele zeer onaangename verrassingen met zich mee. Sommige daarvan zijn zoveel jaren later nog altijd levendig in de gedachten van hen die het meemaakten.
De gezinnen waarin Gustaaf en Gusta opgroeiden
Gustaaf werd als Gustaaf Lodewijk Vermeijlen (Vermeylen) geboren op 11 januari 1904, in een zijstraatje van de huidige Bredestraat op Achterheide te Schriek. In het landbouwersgezin van Bernardus Vermeylen en Maria Ludovica Van Roosbroeck was hij het 3de kind van vier. Hij had echter nog een oudere half-broer, Jef, uit een eerder huwelijk van zijn vader met Rosalia Serneels.
Bernard Vermeylen (°1859 +1942) X met Rosalia Serneels (°1861 +1899)
· Jef Vermeylen (°1898 Schriek +1987 Schriek)
Bernard Vermeylen (°1859 +1942) X met Maria Ludovica Van Roosbroeck (°1868 +1955)
· Marie (°1902 Schriek +1967)
· Emiel (°1903 Schriek +1996 Schriek)
· Gustaaf (°01/1904 Schriek +1945 Obertraubling)
· Don (°12/1904 Schriek +?)
Figuur 1 Gustaaf als sportman
Gustaaf was zeer sportief (figuur 1), hij trainde regelmatig voor hardlopen en in legerdienst won hij zelfs een wedstrijd. Verder ging hij zwemmen in de rivier de Nete. Daar nam hij zijn kinderen regelmatig mee naartoe. Samen met zoon René werd er aan krachttraining gedaan. Hij kon naar het schijnt erg veel lachen. Net zoals zijn zonen was Gustaaf een koukleum. Als je op de boerderij binnenkwam, dan kon je hem meestal dicht bij de Leuvense stoof vinden.
Figuur 2 Gusta Mylemans
Gusta (figuur 2) kwam eveneens uit een landbouwersgezin. Dat van Leonard ”Nare” Mylemans en Josefien Aerts. Ze was het 3de van 11 kinderen. Ze is als Augusta Regina Maria Mylemans geboren op 19 maart 1901 in een doodlopend zijstraatje van de huidige Mollehoefweg op Achterheide te Heist.
Nare Mylemans (°1865 +1942) X met Jozefien Aerts (°1876 +1951)
· Irma (°1897 Heist +1987 Bonheiden)
· Marie (°1899 Heist +1966 Heverlee)
· Gusta (°1901 Heist +1990 Heist)
· Melanie (°1903 Heist +1992 Oelegem)
· Jules (°1904 Heist +1969 Brussel)
· Jef (°1907 Heist +1985 Leuven)
· Eugeen (°1909 Heist +1971 Bonheiden)
· Florent (°1911 Heist +1990 London,Canada)
· Angele (°1915 Heist +1995 Antwerpen)
· Marcel (°1919 Heist +2001 Heist)
· René (°1922 Heist +2011 Heist)
Het gezin van Gustaaf en Gusta
Gustaaf en Gusta werden op een steenworp van mekaar geboren. De huizen waar ze als kind woonden waren in vogelvlucht slechts 600 meter van mekaar verwijderd. Allebei zijn ze door hun ouders katholiek opgevoed zoals dat in die tijd meestal het geval was. Op 20 april 1929 trouwden Gustaaf en Gusta in de parochiekerk van Sint-Alfonsius Goor.
Samen kregen ze 6 kinderen.
· Willy (°1930 Heist +1997 Schriek)
· René (°1931 Heist +2010 Lier)
· Jos (°1932 Heist +2018 Bonheiden)
· Yvonne (°1934 Heist)
· Robert (°1938 Schriek +1983 Mulmur Canada)
· Maurits (°1939 Schriek)
Figuur 3 Gustaaf voor vermoedelijk de woning van Nare Mylemans en Josefien Aerts. We zien vermoedelijk van links naar rechts, Gustaaf, Hugo Weyns (zoon van Melanie Mylemans), Yvonne, Jos, Simonne Vermeylen (dochter van Marie Mylemans) en uiterst rechts René Mylemans.
Na hun huwelijk woonden ze in het “doorgeefhuis” (figuur 4) dat Nare Mylemans voor zijn kinderen had voorzien. Hier konden de kinderen als jonggehuwden even wonen voor ze hun eigen stekje hadden. Het stond in de Mollehoefweg te Heist, destijds de Hoge weg. Het was een deels lemen boerderijtje dat volgens de mondelinge overlevering 2000 Belgische franken heeft gekost. De broers van Gusta: Eugeen, Florent en René hebben er ook nog gewoond voor het is afgebroken. Yvonne weet nog dat ze in het huis is geboren.
Figuur 4 Het doorgeefhuis in de huidige Mollehoefweg is al lang verdwenen.
Later verhuisden ze naar een stenen boerderij in de Bredestraat op de grens tussen Heist en Schriek, kort bij de boerderij van Bernard Vermeylen. Gustaaf was samen met zijn schoonbroer Jef Mylemans varkenskoopman. Hij kocht in de streek van Poperinge kleine biggen op om ze wat later terug te verkopen aan lokale boeren. Op de boerderij hielden ze kippen en soms hadden ze 2 of meer koeien. Op het veld verbouwden ze aardappelen, een landbouwproduct waar Heist erg voor gekend was. Gusta hielp waar ze kon maar was vooral huisvrouw. De kinderen staken ook een handje toe en raapten de kleine aardappelen die op het veld waren blijven liggen. Die werden dan gekookt en gemengd met varkensmeel en sterk afgeroomde melk, in de volksmond “loeter” genaamd, tot een lekkere varkensbrij.
Omstreeks 1938, na een goed aardappeljaar, werd het woongedeelte van hun huis afgebroken en vervangen door een nieuwbouw. Die nieuwbouw staat er vandaag (2022) nog. Maurits is de enige van de kinderen die in deze nieuwbouw geboren is. De stallingen en schuur bleven dienst doen als een deel van de kleine boerderij.
Het gezin had zich ook een auto kunnen aanschaffen. Een zeldzaamheid in die tijd! Zoon Jos heeft ooit verteld dat het een Chevrolet pick-up met laadbak was. Gustaaf reed met die wagen naar jaarmarkten of boeren om er biggetjes te verkopen.
Zoals in zovele gezinnen uit die tijd had het Katholieke geloof een grote invloed. ’s Avonds werd er samen gebeden en op zondag ging Gusta naar de vroegmis. Gustaaf en de kinderen gingen naar de mis van 10 uur en rond 14 uur werd er nog eens naar het lof gegaan in de Kerk van Sint-Jan-Baptist te Schriek.
En dan kwam de oorlog
Bij het begin van de Tweede Wereldoorlog sloeg het gezin Vermeylen-Mylemans met hun beestenwagen op de vlucht richting Ieper en de Belgische kust. Dat was geen lachertje. Duitse vliegtuigen bombardeerden of beschoten regelmatig de colonnes vluchtelingen op de Vlaamse wegen. ’s Avonds probeerden ze bij een boer een plekje in de schuur te bemachtigen om de nacht veilig door te brengen. Onderweg naar de kust zijn ze Gusta’s jongste broer René Mylemans tegengekomen die met een nieuwe familiefiets op weg was naar de streek van Rijsel. Daar zou hij op een trein gezet worden naar Zuid-Frankrijk, met de bedoeling om er opgeleid te worden tot Belgisch soldaat.
Bij de kust aangekomen en wetende dat België zich tegen die tijd al had overgegeven, besloot het gezin dan toch maar naar Schriek terug te keren. Dat is maar op het nippertje gelukt want de benzine was bijna op en er was nergens meer brandstof te vinden.
Weer thuisgekomen moest het gezin van Gustaaf en Gusta zich aanpassen aan de oorlogsomstandigheden, al waren de jaren voor de oorlog niet altijd veel beter.
Veel voedsel was in de oorlog schaars door de mank lopende invoer van verschillende producten. Daarom werden controles ingevoerd op de voedselketen, zowel op de productie, op de distributie als op de verkoop. Het meest gekende zijn wellicht de rantsoenzegels, die ingevoerd werden voor producten die schaars waren. Rantsoenzegels maakten dat mensen die schaarse producten niet konden hamsteren en dat iedereen, arm of rijk, er een gelijke toegang toe had. De zegels werden in de winkels ingeleverd in ruil voor het gerantsoeneerde product. De winkeliers moesten die ingeleverde zegels zelf weer inleveren bij het centrale distributiesysteem. Pas dan hadden ze weer recht op een nieuwe voorraad. Wat de productie betreft, werden er teeltplannen ingevoerd om ervoor te zorgen dat producten die niet meer konden ingevoerd worden, op eigen bodem zouden geproduceerd worden. Landbouwers konden met andere woorden niet meer zelf beslissen wat ze teelden. Het teeltplan 1940-1941 bijvoorbeeld voorzag dat de landbouwers veel meer graangewassen zouden verbouwen die bestemd waren voor het bakken van brood maar ook meer aardappelen. Ook de landbouwgronden die daarvoor mochten gebruikt worden werden uitgebreid met 20000 ha voor de teelt van rogge en met 30000 ha voor de aardappelteelt. Wie proportioneel te veel weiland had, moest een deel ervan omploegen. Dat betrof onder andere ook de Kempen. Er werden ook controles ingesteld op illegale productie en verkoop van voedingswaren want die maakten dat de voedselprijzen in de lucht vlogen.
Of deze maatregelen de beroepsactiviteit van Gustaaf als varkenskoopman getroffen hebben is niet zeker. Dat herinneren de kinderen zich niet meer. Omdat Gustaaf zelf groenten kweekte leed zijn gezin geen honger. Maar door de schaarste van veel producten was er zeker geen overvloed en moest men eten wat de pot schafte. Wel viel het zoon Jos op tijdens de oorlog dat het de mensen uit de stad anders verging. Vaak kwamen er mensen uit Mechelen of Antwerpen langs om te zien of ze wat aardappelen of andere groenten konden kopen.
Over de controles die werden uitgevoerd door de bezetter herinnert Jos zich dat er inventarissen werden opgemaakt: hoe groot hun veld was en welke soorten gewassen er geteeld werden. Zo werden ze op het einde van de oorlog verplicht raapzaad aan te planten, een gewas waaruit olie kon geperst worden.
Hoe langer hoe meer staan de Belgische landbouwers vijandig tegenover de plannen van de oorlogsoverheid om de landbouw op dirigistische leest te schoeien. Gedurende de hele oorlog blijven ze weerstand bieden.
De weerstand van de Britten tegen Duitsland en later ook van de Verenigde Staten, tezamen met een aantal binnenlandse feiten zoals de racistische maatregelen tegen Joden in België, het toenemend voedseltekort, de grote inperking van de vrijheid en de verplichte tewerkstelling in Duitsland, deden het verzet tegen de bezetter in België toenemen. Werkweigeraars, die zich toch al verborgen moesten houden, gingen met het verzet meewerken. Heist-Goor en Achterheide moeten een broeihaard van verzet zijn geweest.
In augustus 1943 wordt er in Heist-op-den-Berg een korps of compagnie van het Belgische Partizanenleger opgericht, gekend onder de code 037. Zo’n lokaal korps telde niet meer dan 9 à 12 leden. Het Partizanenleger was één van de verzetsbewegingen tijdens de Tweede Wereldoorlog, naast bijvoorbeeld de Witte Brigade, het Onafhankelijkheidsfront, het Geheime Leger en andere groeperingen. We weten dat sommige leden van het Partizanenkorps 037 niet zo heel ver van Gustaaf woonden. Eén van hen was zijn vriend Jules Roothooft. Hij woonde op Achterheide 24, tegenwoordig de Hollandstraat, in een tegen de maalderij aangebouwd huis. Van Jules is geweten dat hij een actieve rol speelde in het verzet.
Op 8 oktober 1943 steekt Partizanenkorps 037 een garage in Grobbendonk in brand. Daarbij worden alle Duitse vrachtwagens vernield die in de garage stonden. Diezelfde dag stellen ze ook de installatie waarmee spoorwissels bediend worden in een spoorweghuisje in Bouwel buiten werking. Op 22 oktober onderscheppen leden van verschillende Partizanenkorpsen in een gemeenschappelijke actie een dynamiettransport op de baan van Balen naar Leopoldsburg. Ze maken 4 ton dynamiet buit.
Maar bij hun terugkeer naar huis worden 4 leden van het Partizanenleger opgepakt. De volgende dag, op 23 oktober 1943 worden er nog eens 4 aangehouden, waaronder Jules Roothooft. Ze worden alle 8 voor het Feldkriegsgericht in Antwerpen gebracht en als ze hun verzetsdaden onder druk van mishandelingen toegeven, worden ze ter dood veroordeeld. Het vonnis wordt echter pas op 19 november 1943 te Brasschaat voltrokken. De achterneef van Gusta, Armand Verschoren was ook actief lid van dit partizanenkorps. Ook Jos Roothooft, de broer van Jules was lid, Jos zou later met Anna Mylemans trouwen.
Of Gustaaf zich bij een verzetsgroep had aangesloten is helemaal niet zeker. Dat hij het verzet passief zou geholpen hebben is wel zeker. De kinderen van Gustaaf en Gusta zelf wisten niet of Gustaaf in het verzet was of hen hielp.
Een noodlottige dag op 12 November 1943
Toen weerstander Jules Roothooft opgepakt werd op 23 oktober dook Gustaaf onder. Hij leefde ondergedoken op 500 meter van zijn eigen woning in de hoeve van zijn schoonmoeder Jozefien Aerts. Overdag waagde hij zich al eens buiten en verbleef dan aan de overzijde van zijn woning in een dichtbegroeide boomgaard met veel struikgewas. De appel- en perzikbomen en de struiken boden voldoende beschutting zodat hij niet gezien werd en zo kon hij alles goed in de gaten houden.
Er moest echter nog een werkje aan een deur van de nieuwe woning opgeknapt worden. Gustaaf had geregeld dat er daarvoor een schrijnwerker zou langskomen. Toen die ter plekke was is Gustaaf ook naar huis gegaan om het werkje te bespreken. Even later echter stonden er 3 leden van de Geheime Feldpolizei voor zijn deur, ook gekend onder de afkorting GFP, samen met een zekere Brinkel. Brinkel was voor de oorlog een bekend figuur in Heist. Hij was van Nederlands/Duitse afkomst en had een bakkerij in de Molenstraat. Daardoor kende hij heel wat volk in Heist. Tijdens de oorlog werd hij als volksduitser ingezet om werkweigeraars en verzetsmensen op te pakken. Hij leverde ook brood aan de Dossinkazerne in Mechelen. Een echte “pikzwarte” in de volksmond. Volksduitsers waren mensen van Duitse oorsprong die buiten Duitsland leefden. Vaak waren ze de Duitse taal machtig, maar ze waren geen staatsburgers meer van het Duitse Rijk. Zoals in het geval van Brinkel, maakte de Duitse bezetter handig misbruik van deze volksduitsers die de lokale bevolking goed kenden en zowel de lokale taal als het Duits spraken. Brinkel is door het Belgische gerecht nooit gestraft voor zijn daden en overleed te Eschendorf, Duitsland op 30-11-1984.
De kinderen Yvonne en Maurits waren thuis toen de GFP arriveerde. Gustaaf vluchtte weg door de deur van de zitkamer maar even later konden ze hem pakken. Gustaaf vroeg om boven wat propere kleding te mogen halen. Toen dat wat lang duurde ging er iemand van de GFP naar boven en zag hoe het raam openstond. Gustaaf was via het dak van de restanten van het oude huis weggevlucht in de richting van het huis van zijn broer Jef. Er is toen geschoten en Gustaaf is in een gracht gesprongen. Daar hebben ze hem een tweede keer te pakken gekregen en hebben hem gearresteerd. Gusta heeft nog geprobeerd tussenbeide te komen, maar ze kreeg van één van de GFP-leden een slag met de vlakke hand waardoor ze op de grond viel. Maurits is toen ontzettend hard beginnen wenen. Brinkel heeft kleine Maurits op zijn arm genomen en probeerde hem te kalmeren. Gustaaf is achteraan in een zwarte auto gezet en weggevoerd naar de gevangenis in de Begijnenstraat te Antwerpen. We schrijven 12 november 1943.
Ook een goede vriend van Gustaaf, Achiel Cleynhens - roepnaam “Jules Klenkes” - uit Keerbergen, werd opgepakt en naar Duitsland gevoerd om nooit terug te keren. Van Jules weten we dat hij ondergedoken weerstanders opving en een wapen leverde aan Jules Roothooft.
Als reden voor Gustaafs arrestatie werd opgegeven dat hij zijn schuur ter beschikking stelde van het verzet. Het is echter niet zeker of dit ook effectief zo was. Het is ook mogelijk dat het een bekentenis is die Gustaaf onder grote dwang afgelegd heeft in de gevangenis te Antwerpen. Hiervoor werd hij veroordeeld tot 10 jaar dwangarbeid. Die veroordeling viel toen hij al een tijdje naar Duitsland gedeporteerd was.
Andere bronnen vertellen dan weer dat Gustaaf een revolver had geleverd aan Jules Roothooft. Zo zou Jef Mylemans, Gustaafs schoonbroer, hem een revolver geleverd hebben. Jef Mylemans kreeg trouwens ook grote schrik na Gustaafs arrestatie. Gelukkig is Jef niet opgepakt.
Gusta dacht dat de arrestatie verband hield met de revolver van Gustaaf. Die revolver werd later teruggevonden aan de hand van één van de brieven die Gustaaf vanuit de gevangenis aan Gusta schreef.
De drie brieven uit de gevangenis van Antwerpen
Brieven die door gevangenen geschreven werden, werden uiteraard door de diensten van de gevangenis nagelezen voor ze verstuurd werden. Gustaaf houdt in die brieven een vrij oppervlakkige stijl aan. Hij praat over gewone alledaagse dingen, zoals “ik mis je”, “is er al stookhout”, “hoe is het met mijn moeder” en “doe de groeten”. Moest er in die brieven iets te veel detail staan over zaken die de Duitsers niet mochten weten dan waren die brieven immers nooit verstuurd. Hieronder een korte samenvatting van de inhoud van de 3 brieven die Gustaaf vanuit de gevangenis in Antwerpen geschreven heeft.
17/11/1943: Hij laat Gusta weten dat hij gezond is en dat hij nog moed heeft. Hij vraagt de kinderen veel te bidden en aan de oudste, Willy, vraagt hij zijn moeder altijd goed te gehoorzamen. Hij vraagt een pakje met kleding en scheergerief, doch geen groot kappersscheermes. Het zou een “krabber” moeten zijn (nvdr een scheermes met verwisselbare mesjes). Hij vraagt ook om hem te komen bezoeken als dat mag.
01/12/1943: Hij is blij met het pakje dat Gusta heeft toegestuurd. In deze brief vraagt hij ook om Willy, de oudste van de kinderen, eventueel van school te halen en hem thuis mee te laten helpen bij het werk. Hij vraagt of ze al stookhout heeft voorzien voor de winter die lang kan duren. Hij laat Gusta weten dat ze op bezoek mag komen en hoe die procedure van bezoek in elkaar zit. Hij vraagt haar van dit niet uit te stellen. Hij vraagt ook om kleding mee te brengen en alle tabak die hij thuis nog had liggen.
In deze brief maakt hij melding van “de rode wortelen niet te vergeten in het huisveld want die bevriezen”. Gezien er op die plek geen wortelen stonden of lagen, trok het de aandacht van Gusta. Daardoor hebben ze later op de aangegeven plek een revolver gevonden.
15/12/1943: Hij laat weten dat het met hem heel goed is. Hij vraagt hemden, kleding en schoenen. Hij vraagt om Liebig-blokjes – dat was een merk van bouillonblokjes - en er wat zout bij te doen. Vermoedelijk was de smaak van het eten in de gevangenis ondermaats. Hij vraagt hoe het met de kinderen is. Aan Willy zegt hij dat hij moeder goed moet helpen bij het werk, omdat hij al groot is. Hij zegt hem er later dankbaar voor te zullen zijn en voor hem iets moois uit Antwerpen mee te brengen. Voor de andere kinderen belooft hij ook iets moois mee te brengen als ze maar goed bidden en braaf zijn. Hij schrijft Gusta veel van haar te houden en vraagt om haar zus Melanie te danken voor haar goedheid. Hij is blij dat de familie zo goed helpt.
De tocht door de gevangenissen en kampen
We hebben contact opgenomen met de Flossenburg Memorial Archives en de Arolsen Archives. Zij bewaren de documenten waarin opgetekend staat waar en wanneer Gustaaf op transport werd gezet tussen de verschillende kampen. De lijst hieronder is onder voorbehoud van mogelijke fouten want soms is de exacte datum van transport niet steeds precies af te lezen.
Gustaaf kreeg gevangenennummer 45132 toegekend en legde in gevangenschap het volgende trajekt af.
Antwerpen: 12 November 1943 arrestatie en overbrenging naar de gevangenis in de Begijnenstraat te Antwerpen.
Sint-Gillis: Gustaaf is op 6 januari 1944 overgebracht van Antwerpen naar de gevangenis van Sint-Gillis te Brussel. Op 8 januari 1944 is hij dan per trein gedeporteerd naar Duitsland, via tussenstops in Essen (D) en Lingen kwam Gustaaf aan te Esterwegen op 13 januari 1944.
Esterwegen: Esterwegen was een gevangenis. Hier was Gustaaf ondergebracht in Lager VII van 13/01/1944 tot 13/03/1944.
Gross Strehlitz (Strzelce Opolskie in het huidige Polen): Hier verbleef Gustaaf van 15/03/1944 tot juni 1944. In Gross-Strehlitz moest hij voor het tribunaal verschijnen en werd hij veroordeeld tot 10 jaar dwangarbeid voor zijn hulp aan het verzet. Na zijn veroordeling volgt de odyssee van het ene concentratiekamp naar het andere.
Sonnenburg: Gustaaf kwam in Sonnenburg aan op 20/06/1944 en verbleef er tot het einde van de zomer 1944. Een medegevangene liet Gusta later weten dat Gustaaf hierna waarschijnlijk naar Wolfenbüttel overgebracht werd, maar dit is niet zeker.
Erbach: Zijn naam komt voor in de lijsten van de gevangenen ondergebracht in Erbach maar de datum ontbreekt.
Staatspolizeileitstelle Nürnberg-Fürth: Hier verbleef Gustaaf tot ten laatste 03/02/1945.
Flossenburg: Gustaaf kwam op 03/02/1945 vanuit Staatspolizeileitstelle Nürnberg-Fürth in Flossenburg aan (Figuur 5).
Obertraubling: Op 20/02/1945 komt Gustaaf vanuit Flossenburg aan in het sub-kamp Obertraubling.
Gustaaf kwam samen met 600 andere gevangenen terecht in een sub-kamp van Flossenburg, te Obertraubling, vlak bij Regensburg. Hier hadden de Nazi’s een vliegveld dat vooral gebruikt werd om de nieuwgebouwde Messerschmitt vliegtuigen te testen. De landingsbaan was een grasveld en niet bijzonder geschikt voor gebruik als start- en landingsbaan voor vliegtuigen, zeker niet in de koude natte maanden. Kort voor Gustaaf in Obertraubling toekwam, op 16 februari 1945 bombardeerden geallieerde vliegtuigen die vanuit Italië vertrokken waren het vliegveld. Zij dropten 515 ton bommen. 25 vliegtuigen werden vernield, waaronder 20 Messerschmitt vliegtuigen van het type Me262. 30 andere vliegtuigen werden ernstig beschadigd. Het model Messerschmitt 262 was het eerste door straalmotoren aangedreven jachtvliegtuig.
SS-Hauptscharführer Cornelius Schwanner was kampcommandant van Obertraubling. De gevangenen verbleven er in de gebombardeerde mess. Ze moesten herstellingen doen op het vliegveld en aan de gebouwen. Zo moesten ze ook een verharde landingsbaan aanleggen. De leefomstandigheden in Obertraubling waren erg zwaar. Er was een tekort aan voeding en kleding en de brutaliteit van sommige SS’ers was groot. Er werden gevangenen vermoord zonder reden. In maart en april 1945 stierven er soms tussen 20 en 35 gevangenen per dag. Cornelius Schwanner kreeg de doodstraf tijdens het proces Dachau-Flossenburg en is geëxecuteerd door ophanging op 15 oktober 1948.
Figuur 5 een foto genomen in 1949 van een deel van Flossenburg concentratiekamp, hier heeft Gustaaf een 3tal weken verbleven voor zijn overbrenging naar Obertraubling.
Gustaaf sterft in Obertraubling
Volgens het officiële overlijdencertificaat is Gustaaf overleden op 19 maart 1945 in Obertraubling. De doodsoorzaak vermeld op het certificaat van de lijkschouwing (figuur 6) is diarree, een veel voorkomende doodsoorzaak onder de gevangenen en teken van ontbering, voedseltekort en ziekte. De gestorven gevangenen werden begraven ten noorden van het messgebouw op het vliegveld.
Op latere documenten en ook op zijn bidprentje staat dat Gustaaf op 27 maart 1945 overleden is. Er moet dus op de één of andere wijze verwarring ontstaan zijn over zijn overlijdensdatum. We proberen enkele bijzonderheden op een rijtje te zetten die misschien bijgedragen hebben tot deze vergissing.
19 maart was Gusta’s verjaardag en ook het naamfeest van Sint-Jozef. Gusta ging op die dag steeds bidden tot Sint-Jozef in Leuven. Waarschijnlijk deed ze dat ook in 1944 en 1945, wellicht in de hoop dat Gustaaf levend naar huis zou terugkeren.
Jozef Vermylen, de burgemeester van Schriek en een achterneef van Gusta, had de moeilijke taak om Gusta op de hoogte te stellen van het overlijden van Gustaaf. Volgens ooggetuigen stortte Gusta helemaal in toen ze vernam dat Gustaaf op 19 maart gestorven was. Zij, die zoveel bad tot de Heer om Gustaaf terug te krijgen, voelde zich zeker gestraft nu haar Gustaaf op haar verjaardag en het naamfeest van Sint-Jozef het leven had gelaten.
Later is de burgemeester van Schriek, wellicht aangedaan door wat er gebeurd was al is dat maar een gissing, teruggekeerd bij Gusta met de verklaring dat de overlijdensdatum verkeerd was, en dat Gustaaf op 27 maart is overleden.
Tussen de documenten die we van de Arolsen Archives over Gustaafs verblijf in Duitsland en zijn overlijden in Obertraubling bekomen hebben vinden we de volgende elementen i.v.m. de datum van zijn overlijden:
Het autopsierapport, dat wellicht het eerst na het overlijden werd opgesteld vermeld dat Gustaaf overleden is in Obertraubling op 19.III.1945 om 3u00. Dat autopsierapport is zelf niet gedagtekend.
In het overlijdensregister van Flossenbürg zit een akte die vermeld dat Gustaaf overleden is op 19.3.1945 om 3u00. Deze akte werd opgesteld op 28.3.1945.
Geannexeerd aan deze overlijdensakte hangt een medisch getuigschrift. Dat getuigschrift verklaart het overlijden van Gustaaf op 19.III.45 om 3u. Het medisch getuigschrift is ondertekend door dezelfde arts die ook het autopsierapport heeft ondertekend. Het medisch getuigschrift is gedateerd op 19.3.1945.
Ook een ander geannexeerd document bevestigt de overlijdensdatum van 19.März.1945 om 3u00.
Dan volgen een aantal documenten die niet onmiddellijk met Gustaafs overlijden te maken hadden zoals:
Een lijst van de gevangen die in Obertraubling begraven zijn. In deze lijst staat als overlijdensdatum 27.3.45.
Een lijst van de gevangenen die in Flossenbürg geïnterneerd waren. Hier staat de datum 27.3.45 getypt en met de hand staat naast het cijfer 27 het cijfer 19 geschreven.
Op een kaart met lijst van zijn persoonlijke spullen staat een grote stempel “Gestorven op 27.MRZ.1945”.
Een lijst van alle kaarten met persoonlijke spullen. Ook hier staat de datum 27.3.45.
Wat kunnen we besluiten in verband met de overlijdensdatum van Gustaaf?
Alle documenten die onmiddellijk na het overlijden zijn opgesteld, zoals het autopsierapport, het medisch getuigschrift en de akte in het overlijdensregister vermelden de overlijdensdatum 19 maart 1945. Daarom is het zeer waarschijnlijk dat Gustaaf op die datum overleden is. Het medisch getuigschrift is op dezelfde dag opgesteld en ondertekend door een hoofdarts.
Dat de datum van 27 maart 1945 later in andere lijsten is komen te staan is wellicht een menselijke fout. Welke datum aan de Belgische autoriteiten werd meegedeeld is niet zeker, maar het is niet uit te sluiten dat beide data werden meegedeeld, wat tot een zekere verwarring heeft geleid.
Op 28 december 1945 wordt er in de parochiekerk van Sint-Jan-Baptist te Schriek een eredienst gehouden voor Gustaaf (zie het bidprentje van Gustaaf in Figuur 8). Dit is niet toevallig de dag van de “onschuldige kinderen”.
Op de militaire begraafplaats van Leopoldsburg is er een grafsteen (figuur 7) te vinden van Gustaaf Vermeylen. Uit één van de documenten die we van de oorlogsarchieven te Arolsen bekwamen is op te maken dat het lichaam van Gustaaf, samen met dat van andere Belgen die in Neutraubling gestorven waren, op vraag van de Belgische overheid in September 1956 naar België werd overgebracht. De eerste begraafplaats van kamp Obertraubling werd officieel in 1957 gesloten.
In Schriek staat Gustaaf mee vermeld op het oorlogsmonument (Figuur 9) naast de kerk.
Dat er voor nabestaanden van oorlogsslachtoffers veel vragen blijven is zeker. Wat waren de leefomstandigheden van hun voorouder in gevangenschap? Hoe is hun voorouder werkelijk gestorven? Waar is hij precies begraven? Enzovoort. Of we ooit die vragen met stelligheid kunnen beantwoorden is niet zeker. In een oorlog gebeuren vreselijke dingen, niet alleen met soldaten aan het front, maar ook in het leven van de gewone mensen, zoals dit verhaal getuigt. Wij kunnen alleen maar respect hebben voor de mensen die dit moesten meemaken en hopen dat we van zulke barre tijden in ons leven en dat van onze kinderen mogen gespaard blijven.
Figuur 6 Op dit originele Duitse document (Leichschauschein – Autopsiecertificaat) staat 19 maart 1945 03:00 uur als datum en uur van overlijden vermeld
Figuur 7 De grafsteen van Gustaaf in Leopoldsburg. De dag van overlijden is niet vermeld
Figuur 8 Bidprentje van Gustaaf Vermeylen. De eredienst voor Gustaaf zal pas na de oorlog op 28 december 1945 plaats vinden.
Figuur 9 Het oorlogsmonument te Schriek waar Gustaaf ook op vermeld staat.
Het boek Wir Muselmänner
Gustaaf wordt kort vermeld in het boek “Wir Muselmänner” van Heistenaar René Lambrechts, uitgegeven in 1947, een getuigenis van een overlevende van de concentratiekampen. René Lambrechts was één van de leidende figuren uit de Partizanenstrijd te Heist-op-den-Berg. We raden iedereen aan het boek te lezen om te beseffen welke ontberingen Gustaaf en zijn medegevangenen moesten doorstaan. Hieronder enkele korte stukken en citaten uit het boek.
Net als René Lambrechts legt Gustaaf voor een deel hetzelfde parcours af. Na hun aanhouding ontmoeten ze mekaar in de Kriegswehrmacht-gevangenis in de Begijnenstraat te Antwerpen. Het is dan 5 januari 1944 en ze worden samen op transport gezet. René vermeldt dat Gustaaf Vermeylen uit Schriek en Achille Cleynckens uit Keerbergen wapens of geld gegeven hadden aan de Heistse partizanen. René schrijft Achiels familienaam steeds als “Cleynkens”, met k dus.
Van Antwerpen gaan ze naar Sint-Gillis en van daar via enkele tussenstops naar de gevangenis van Esterwegen in Duitsland. Uit Esterwegen bericht René: "Achiel Cleynkens uit barak 3 is een plantrekker, hij wordt houthakker en krijgt dus alle dagen rabiot. Ik krijg een lepel, een muts en een broodplank. Een goeie kerel die weet wat kameraadschap is." Rabiot is een extraatje bij de maaltijd.
Van Esterwegen gaan de gevangenen naar Gross-Strehlitz. Hier worden ze over verschillende barakken verspreid en hebben ze dus niet zo gemakkelijk contact met elkaar. René wordt hier in een soort isoleercel opgesloten. In Gross-Strehlitz is ook een aparte barak voor de gevangenen die voor de rechtbank moeten verschijnen. Wie de doodstraf krijgt vliegt van daar naar Wolfenbüttel om geëxecuteerd te worden.
"De gevangenen van Einzelhaft Abteilung 8 van vleugel B komen dagelijks voorbij onze cel. Zo zie ik Jan Wauters, Gust Vermeylen, Jef Verhoeven en Achilles (nvdr Cleynhens). Ze moeten voor het tribunaal verschijnen. Als ze hun burgerkleren dragen weet ik dat de zittingen begonnen zijn. Na enkele dagen, een klop op de deur, het spionklepje schuift weg. Het is Jan, vooruitgelopen terwijl de anderen van de wandeling achter hem binnenkomen. Hijgend zegt hij: 'Eerst de doodstraf gekregen, daarna vijf jaar! Gust tien jaar, Achilles en Jef twee'. 'Dat is niet erg Jan', roep ik terug, 'vijf jaar of twintig is hetzelfde!' Niet lang na hun vonnis vertrekken die vier kameraden op commando."
Na Gross-Strehlitz weet René niet meer waar Gustaaf is. In januari 1945 komt René Achilles Cleynkens nog tegen in het kamp Gross-Rosen. Als het Russische leger in de buurt van Gross-Rosen komt, worden ze nog op transport gezet en vinden mekaar terug in kamp Dora.
"Daar is ook Achilles uit Keerbergen. Afgestompt. Over zijn gezicht ligt een waas van miserie en neerslachtigheid. Ik merk het nu ook bij alle anderen. Hun gezicht is grauw en vaal door het vuil en door de schrikwekkende belevenissen op de spooktrein."
Uiteindelijk overleeft René Lambrechts de gruwel van de Duitse gevangenschap.
Na de oorlog
Gusta kwam alleen te staan voor al het werk en de opvoeding van haar nog jonge kinderen.
Ook tijdens de oorlog, na de deportatie van Gustaaf, was het gezin niet gespaard gebleven van onheil.
Zo werden op een nacht de kippen uit het kippenhok gestolen. De auto die geen dienst meer deed was op blokken gezet om het rubber van de banden te sparen. Op een dag werd het voertuig aangetroffen zonder wielen.
En op nieuwjaarsdag 1945 viel er een V1-vliegende bom op de Achterheide. De hoeve van Florent Coeckelberghs, 100 meter van Gustaafs huis aan de overzijde van de straat werd volledig vernield. Bij Gusta ging een stuk metaal door het raam op de bovenverdieping en boorde er zich in de muur. In de serre van buurman Jef Vermeylen was geen glas meer heel. Overal lag het glas uit de ramen. Gelukkig waren er geen dodelijke slachtoffers.
Gusta is na de oorlog volledig ingestort. Ze vond de kracht niet meer om voor zichzelf en de kinderen te zorgen. Gusta werd 6 maanden opgenomen bij de nonnen van Berlaar, in de hoop er mentaal weer bovenop te komen. De kinderen werden in die tijd op internaat gestuurd. Alleen Willy bleef thuis.
Niet alleen Gusta was getraumatiseerd door wat haar tijdens de oorlog overkomen was. Ook voor de kinderen moet die periode diepe wonden gemaakt hebben. De kinderen van Gustaaf waren tussen 4 en 13 jaar toen hij gevangengenomen werd. Dat Yvonne en Maurits die gevangenneming van dichtbij meemaakten, moet hartverscheurend geweest zijn. Als noodoplossing moesten de kinderen na de oorlog een tijdje op internaat om Gusta toe te laten er weer bovenop te komen. In die periode moesten de kinderen ook de warmte van het thuisnest missen. Zo maakte die wrede zinloze oorlog dat het jonge gezin van Gustaaf en Gusta niet alleen plots uit mekaar geslagen werd, maar ook dat er diepe wonden ontstonden die zelfs na lange tijd nog altijd een traantje deden rollen als het onderwerp van de deportatie van vader Gustaaf ter sprake kwam.
Terug thuis boerde Gusta en haar gezin op kleine schaal. Gelukkig kon Gusta daarvoor op Willy rekenen. Ze plantten aardappelen, hadden een koe en als die een kalf had, werd dat verkocht. Verschillende familieleden kwamen voortaan ook helpen op het land van Gusta’s boerderij: Hugo Weyns, de zoon van Melanie, maar ook Gusta’s broers Marcel en René Mylemans kwamen helpen. Zoals zij hebben ook nog andere mensen een handje toegestoken om Gusta in die tijd te ondersteunen.
Rondkomen was zwaar. Er waren tijdens en vlak na de oorlog nog geen weduwenpensioenen en het gezin overleefde met praktische en financiële hulp van de familie. Zus Marie die in Congo werkte stuurde geld naar haar zus Melanie die daarmee ook Gusta en haar gezin ondersteunde. Gusta heeft Melanie later alles netjes terugbetaald.
Toen Willy trouwde en het huis verliet viel de landbouwactiviteit deels stil. Gelukkig werd na de oorlog in België geleidelijk aan de sociale zekerheid opgericht waardoor Gusta en andere vrouwen in haar situatie van een weduwenpensioen konden genieten. Daardoor kon ze rekenen op een klein, maar vast inkomen en werd haar situatie minder problematisch.
Na de oorlog bleef Gusta erg zwaarmoedig. Ze vond weinig vreugde in het leven zonder Gustaaf en ze lachte haast nooit. Tot op een dag, Gusta’s broer René op bezoek was en er iets opmerkelijks gebeurde. René wist aan alles een vrolijke draai te geven. Gusta roerde in de pap die op het vuur stond, toen René haar vertelde over een droom die hij had gehad. In die droom zag hij een locomotief rijden, een echte stoomlocomotief. Die locomotief kwam steeds dichter en dichterbij. En toen die locomotief passeerde waar hij in zijn droom stond te kijken, dan maakte hij plots een fluitsignaal, zo luid als van 10 fluitketels tegelijk. Dat was zo’n oorverdovend gefluit dat René ervan wakker schrok. Daarop schoot Gusta in een enorme lachbui. Voor Yvonne, die het verhaal van de stoomfluit vertelde, was het een wonder en een verademing om haar moeder zo te zien lachen. Het was voor haar een mooie herinnering aan haar moeder en oom René.
Gusta heeft enkele jaren na de oorlog deelgenomen aan een bedevaart naar Flossenburg (Figuur 10), het hoofdkamp waar Gustaaf enkele weken verbleef. Of ze ook in Obertraubling is geweest is niet zeker en misschien wist ze toen niet eens van dat sub-kamp waar Gustaaf gestorven is. Veel informatie over het leven en de verplaatsingen van gevangenen is immers lang ongekend gebleven en pas veel later publiek gemaakt.
Figuur 10 Foto in Het Laatste Nieuws - Bedevaart naar Flossenburg 14 aug 1949. Gusta staat 6de van rechts.
Gusta en de kinderen werden na de oorlog jaarlijks uitgenodigd door een vrouw uit Mechelen. Ze organiseerde voor oorlogsweduwen en weeskinderen tijdens de kerstperiode een feestje in hotel De Oude Ketel in Heist (Figuur 11). Er lagen dan voor de kinderen pakjes onder de kerstboom en ze voorzag ook een klein spaarcentje op een bankrekening.
Figuur 11 Het feestje in De Oude Ketel
1: Maurits Vermeylen
2: Magda Roothooft (dochter Jules Roothooft)
3: Maria Roothooft (dochter Jules Roothooft)
4: Yvonne Verstraeten (Weduwe Jules Roothooft)
5: Robert Vermeylen
6: Willy Vermeylen
7: René Vermeylen
8: Eugeen Wouters (Burgemeester van Heist)
9: Yvonne Vermeylen
10: Jos Vermeylen
11: Maria Verschueren (dochter Alfons Verschueren)
12: Anna Lambrechts (weduwe Alfons Verschueren)
13: Nina
14: Gusta Mylemans
15: Maria Vonckx (dochter Jules Vonckx)
16: Irene De Cat (weduwe Jules Vonckx)
17: Yvonne Grauwels
Gusta is op 14 oktober 1990 op 89 jarige leeftijd thuis in Schriek overleden, helemaal opgeleefd.
Ze heeft een schat aan prachtige mensen nagelaten: 6 kinderen, 12 kleinkinderen, 25 achterkleinkinderen en 10 achterachterkleinkinderen.
Een speciale dank aan de familie en medewerkers van de Mylekrant om dit artikel mee tot stand te brengen. Hun bijdrage was van onschatbare waarde.
Bert Mylemans
Verwante artikelen
Bronnen:
Zwarte markt en landbouwers in België tijdens WOII - Michiel De Both, Masterscriptie 2010
Arolsen Archives, Bad Arolsen Germany
KZ Gedenkstätte Flossenbürg
Mondelinge verhalen van de kinderen, Jos, Yvonne en Maurits Vermeylen.
The United States Holocaust Memorial Museum, Encyclopedia of Camps and Ghettos 1933-1945, Vol. I
De website http://www.getuigen.be/Fr/Fr-nl/index/index-getuigen.htm
De Oorlogsgeschiedenis en de gesneuvelden van Groot Heist tijdens De Tweede Wereldoorlog- Peter Van Hoecke, Paul Van Hove, Fons Steurs 2016
Wij, Musselmanner - René Lambrechts, herdruk 2005
Een bedevaard naar Flossenburg, Het Laatste Nieuws, artikel 1949