Jules Mylemans (1904 – 1969), avonturier en zwart schaap van de familie

Inleiding

Dit artikel gaat over de niet zo fijne levensloop van Jules Mylemans. Over zijn leven was ons weinig bekend tot we in het Rijksarchief te Brussel zijn persoonlijk dossier van ambtenaar bij het Ministerie van Koloniën opvroegen. Jules is als districtsambtenaar naar Belgisch Congo vertrokken maar dat werd geen succes. Na een tijdje kwam hij terug maar toen ook in België de problemen zich opstapelden vertrok hij opnieuw naar Afrika en werd zijn band met het thuisfront bijzonder problematisch.

Zijn eerste levensjaren

Jules werd geboren te Heist-op-den-Berg op 31 oktober 1904, als Jozef Jules Medard, het vijfde kind en de oudste zoon van het landbouwersgezin Leonard Mylemans en Josefien Aerts.

We vermoeden dat zijn peter Medard Aerts was, de broer van Josefien. Volgens de mondelinge overlevering zou Medard gek geworden zijn na een zonneslag en is hij overleden na experimentele injecties van dokters te Lier.

Leonard Mylemans (°1865 +1942) en Josefien Aerts (°1876 +1951) hadden niet minder dan 11 kinderen :

1.      Irma (1897 – 1987)  Zij werd pastoorsmeid en over haar leven vertelden we in ons artikel “Een mirakel en een rare pastoor

2.    Marie (1899- 1966)

3.    Gusta (°1901-1990)  Gusta huwde met Gustaaf Vermeylen en over dit echtpaar ging ons artikel “Gustaaf Vermeylen en Gusta Mylemans

4.    Melanie (1903-1992)

5.    Jules (°1904 - 1969)

6.   Jef (1907-1985)

7.   Eugeen (1909-1971)

8.   Florent (1911-1990)

9.   Angèle (1915-1995)

10.  Marcel (1919-2001)

11.   René (1922-2011)

De vroegst gekende foto van Jules dateert van omstreeks 1907. Hij staat hier naast grote zus Gusta.

 

Figuur 1 Zus Gusta en Jules circa 1907

 

De onderstaande foto is gedrukt op een postkaart en is waarschijnlijk genomen naar aanleiding van zijn eerste communie.

 

Figuur 2 Jules Mylemans rond 1911

 

Schooljaren

Jules volgde eerst les in de basisschool Heist-Goor. Daar bleef hij echter niet lang want zijn ouders hadden voor hun eerste zoon alleen maar het beste voor. Op 10-jarige leeftijd werd Jules naar het pensionaat gestuurd. Een teken dat zijn ouders geloofden in een goede opleiding want een pensionaat was zeker niet goedkoop.

Het Instituut Van der Borght te Grasheide (Putte) had een uitstekende reputatie en was Vlaamsgezind, in het pensionaat verbleven heel wat Franstalige kinderen uit Brussel en Wallonië om mooi Nederlands te leren spreken.

De stichters van het instituut Van der Borght waren nog verre familie van Jules’ vader Leonard en van Jules’ grootvader langs moeders kant. Of deze familieverwantschappen bijgedragen hebben tot de schoolkeuze is voor ons nu evenwel niet meer te achterhalen.

Na de lagere school ging Jules naar het Damiaaninstituut te Aarschot. Ook hier verbleef hij op internaat. Het Damiaaninstituut stond destijds hoog aangeschreven als een school die vooral gericht was op de voorbereiding tot priester missionaris, in dezelfde geest als pater Damiaan.

Drie jaar later werd hij ingeschreven als interne leerling van het Klein Seminarie van Mechelen, de voorbereidende opleiding tot het seminarie voor priesters in het aartsbisdom Mechelen.

Of zijn ouders stilletjes hoopten dat hun zoon zich geroepen zou voelen om priester te worden weten we niet. Wel is duidelijk dat zijn ouders kosten noch moeite hebben gespaard om hun zoon een degelijke opleiding te geven.

 

Figuur 3 Jules tijdens zijn pensionaatsjaren

 

Het liep echter niet helemaal zoals zijn ouders gedroomd hadden, Jules moet een vrij zwakke leerling geweest zijn en wanneer hij in 1924 de school vaarwel zegt is hij al 20 jaar en heeft zijn humaniora niet afgemaakt.

Vrijgesteld van militaire dienstplicht

Op 20 december 1923 werd Jules’ aanvraag om zijn militieplicht onbepaald uit te stellen aanvaard. Waarom hij deze gunst verkregen heeft is heel eenvoudig: Jules was nl. de oudste zoon in een gezin waar er 4 of meer jongens waren. In dat geval was de oudste zoon vrijgesteld van militaire dienst op voorwaarde dat de jongere broers later wel hun dienstplicht zouden vervullen. Was dat later toch niet het geval (bv. wanneer er eentje afgekeurd werd) dan moest de oudste zoon toch nog zijn militaire dienstplicht verrichten. Voor Jules zou het echter niet zo’n vaart lopen, zijn voorwaardelijke vrijstelling werd uiteindelijk een definitieve vrijstelling.

Een eerste job

Op 1 december 1924 werd Jules aangeworven door de Volksbank van Lier. Hij kon er beginnen als administratief bediende in hun plaatselijk kantoor te Heist-op-den-Berg.

Lang hield hij het daar echter niet vol. Amper iets meer dan een jaar later keek hij al naar nieuwe en exotischere carrièremogelijkheden. Jules solliciteerde naar een goedbetaalde job als ambtenaar bij het ministerie van Koloniën om in Belgisch-Congo te gaan werken.

Sollicitatie en voorbereiding op een koloniale loopbaan

Over de sollicitatieprocedure hebben we veel informatie ontdekt omdat het ministerie van Koloniën een uitgebreid dossier van elk van haar werknemers bewaard heeft. In het Rijksarchief van Brussel hebben we het dossier van Jules teruggevonden. Het bevat o.a. zijn C.V. , aanbevelingsbrieven, bewijs van goed gedrag en zeden, medische keuring, vaccinaties, examenresultaten en heel wat interessante informatie.

Ook toen begon alles bij het opstellen van een fatsoenlijk C.V. Op 4 februari 1926 stelt Jules het zijne op.

 

Figuur 4 C.V. met opsomming van opleidingen en werkervaring

 

Het ministerie heeft vervolgens vier partijen aangeschreven om aanbevelingen te bekomen: Pastoor Wouters van Heist-Goor, de burgemeester van Heist, de Volksbank van Lier en het Klein Seminarie van Mechelen. Alle vier hebben snel en in positieve bewoordingen geantwoord.

Pastoor Wouters schreef: “… dat den heer Mylemans Jozef Juul Medard van zeer deftige geëerbiedigde familie is: hij heeft een goed gedrag en zijne eerlijkheid is tot nu toe buiten twijfel. “

Burgemeester De Bie van Heist-op-den-Berg schreef: ”… dat de genaamde Mylemans Jozef Jules Medard van voorbeeldig gedrag is en dat aangaande zijne eerlijkheid niets op te markeren valt. “

De Volksbank van Lier antwoordde: “… kunnen wij u melden dat genaamde persoon in onze dienst is sedert 1 december 1924 en dat hij sedertdien ons alle voldoening heeft gegeven onder oogpunt van gedrag, eerlijkheid en bekwaamheid.”

Ten slotte schreef het Klein Seminarie van Mechelen: “Mr. Mylemans heeft zich steeds goed gedragen en is bekwaam een flinke kolonist te worden. “

 

Figuur 5 De aanbevelingsbrief van het Klein Seminarie van Mechelen

 

Na al deze positieve getuigenissen werd Jules toegelaten tot de Koloniale School te Brussel waar hij een aantal cursussen volgde als voorbereiding op zijn loopbaan in Belgisch Congo.

Wanneer hij student is te Brussel staat hij ook ingeschreven in Rixensart, een gemeente niet ver van Brussel. We vermoeden dat hij omwille van praktische redenen naar Rixensart verhuisd is. Vanuit Heist-op-den-Berg is Brussel immers veel moeilijker bereikbaar.

Met een algemeen totaal van 62.6% en zwakke scores voor de vakken deontologie, recht, boekhouden en landbouw was hij wel geslaagd maar ook niet meer dan dat. Het valt wel op dat hij zeer goede punten had voor Kiswahili, een veel gesproken Afrikaanse taal.

 

Figuur 6 Examenresultaten van Jules Mylemans 2 juli 1926

 

Vertrek naar Congo

Jules wordt aangenomen als “provisoir territoriaal adjunct-agent 3de klasse”, een hele mond vol om te zeggen dat hij helemaal onderaan de ambtelijke ladder moet beginnen. Hoe de overheidsdiensten in Belgisch-Congo georganiseerd waren lees je in de annex “Hoe werkte de Belgische overheid in haar kolonie?“, achteraan dit artikel.

Op 24 juli 1926 vertrekt hij met het schip de “Thysville” naar Congo, waar hij op 9 augustus aankomt in Boma. Het stoomschip Thysville van de CBMC (La Companie Belge Maritime du Congo) werd in 1922 te water gelaten en gebouwd door scheepswerf Cockerill uit Hoboken. Het is genoemd naar koloniaal officier en ondernemer, Albert Thys. Het is hetzelfde schip waarmee Koning Albert I in 1928 Congo bezocht. Het voer van Antwerpen naar Matadi en er was plaats voor 700 passagiers.

Op 10 augustus trekt Jules dan verder landinwaarts naar het district Sankuru in Centraal Congo waar hij op 16 augustus aankomt.

 

Figuur 7 Congoschip Thysville

 

1926 – 1932 Zijn eerste periode in Congo

Jules’ taak in Belgisch Congo was vrij administratief. Al vermeldt zijn dossier niet met welke taken hij precies belast werd, toch geeft de annex “Hoe werkte de Belgische overheid in haar kolonie”, en meer bepaald de paragrafen over de “Taken van de gewestbeheerder en zijn ambtenaren” een idee over de zeer uiteenlopende bezigheden die Jules heeft moeten verrichten. Wel vonden we in zijn dossier enkele bijzondere gegevens waaruit blijkt dat hij er niet echt de beste beurt maakte.

Aanvankelijk waren zijn oversten nochtans tevreden en werd hij geëvalueerd als iemand met een “charactère soumis et sérieux et de bonne conduite” (in vertaling: onderdanig en serieus karakter en van goed gedrag).

Vrij snel kreeg hij loonsverhoging. Op 9 augustus 1926 werd zijn loon vastgesteld op 22.500 Belgische Frank. Op 1 juli 1928 is zijn loon al gestegen tot 50.000 Belgische Frank op jaarbasis. Maar dat was de normale gang van zaken gebaseerd op vastliggende barema’s die gepubliceerd werden in het “Ambtelijk Blad van den Belgischen Congo”.

Op 8 december 1929, wanneer hij drie jaar gewerkt heeft als koloniaal ambtenaar, werd hij benoemd tot definitief territoriaal agent 3de klasse. Provisoir werd dus definitief en vanaf dan is hij ook geen adjunct-agent meer. Dit was de manier waarbij een ambtenaar die bij wijze van proefperiode was aangesteld na verloop van tijd en evaluatie definitief benoemd werd.

Zijn evaluatie is ondertussen allesbehalve schitterend te noemen. Op onderstaand evaluatieblad lezen we:

“semble s’être relâché dans sa manière de servir depuis sa désignation pour Lubefu. Ce relâchement s’est accentué encore après qu’il ait remis sa demande de démission”

In vertaling: “lijkt nonchalant in zijn manier van werken sinds zijn overplaatsing naar Lubefu. Deze nonchalance is nog verergerd na zijn aanvraag tot ontslag.”

M.a.w. hij veegde er zijn voeten aan. Een flinke kolonist zoals het Klein Seminarie van Mechelen in hem zag is hij dus zeker niet geworden.

Na drie jaar in Belgisch Congo als kolonist vond hij het blijkbaar welletjes. Hij zag een andere opportuniteit en op 20 september 1929 diende hij zijn ontslag in. Dat ontslag werd aanvaard door de Belgische staat op 1 oktober 1929.

 

Figuur 8 Evaluatieblad van Jules Mylemans

 

Enkele foto’s van Jules uit zijn periode als koloniaal ambtenaar zijn bewaard gebleven in de familie. Jules poseert er op als een deftige koloniaal in de typische witte kledij met tropenhelm die de ambtenaren toen droegen in Belgisch Congo.

 

Figuur 9 Jules als koloniaal ambtenaar in Congo

 
 

Figuur 10 Jules in Congo

 

Jules had ondertussen in Congo ook een plezierig tijdverdrijf ontdekt: met collega’s kolonialen gezellig gaan jagen op groot wild. Onderstaande foto dateert uit 1927 en werd genomen in de omgeving van Lodja. Jules is de staande persoon rechts.

 

Figuur 11 Groepsfoto na een klopjacht in september 1927 te Lodja (hoofdstad van Sankuru) Jules staat rechts

 

Links en rechts zien we jachthonden, de linkse hond is meer dan waarschijnlijk een Basenji, een oer-ras jachthond die niet kan blaffen en jodelende geluiden maakt.

Bij zijn ontslag als koloniaal ambtenaar had hij een nieuwe job voor ogen: lang leve de vrijheid als jager in de tropen! Jules werd dus een avonturier die van de opbrengst van zijn geschoten wild ging leven.

Over deze periode als jager hebben we heel weinig gegevens want hierover staat natuurlijk niets in zijn officieel dossier van ambtenaar in Belgisch Congo.

Ook van zijn periode als jager zijn enkele foto’s bewaard gebleven in het familiearchief. We zien hem hier niet meer gekleed als koloniaal ambtenaar. Let vooral op zijn omslagrok en zijn sandalen.

 

Figuur 12 Jules als jager

 
 

Figuur 13 Jules samen met enkele Congolezen

 

Terug naar België

Drie jaar als jager is ook nu weer genoeg voor Jules, blijkbaar hield hij niets lang vol.

Totaal berooid restte er nog slechts één oplossing: terug naar huis! Niettegenstaande hij tijdens zijn koloniale loopbaan een riant salaris had ontvangen was daar duidelijk niets meer van over toen hij op 20 december 1932 terugkeerde in België.

Terug thuis vindt hij geen werk maar misschien zoekt hij ook niet zo hard. We weten via de familieverhalen dat hij toen al een serieus alcoholprobleem had en dat hij regelmatig geld vroeg aan zijn ouders om het vervolgens in de cafés te gaan verbrassen. Op een gegeven moment vonden zijn broers het welletjes en toen Jules nog maar eens geld vroeg is er een flink handgemeen geweest, iets waar de broers van hun moeder Josefien flink voor op hun donder hebben gekregen. Duidelijk is dat moeder Josefien het principe handhaafde van “mijn kind schoon kind”, de problemen van haar oudste zoon wilde ze niet zien, of misschien voelde ze zich schuldig omdat ze gefaald had in de opvoeding?

 

Figuur 14 Jules met zijn moeder Josefien en oudste zus Irma

 

“Oost west, thuis best” bleef voor Jules echter niet lang duren.

Tijdens zijn verblijf in Congo had hij nl. nog een openstaande rekening bij de plaatselijke bevolking van het dorp Lundeke. Wanneer zij ontdekten dat Jules terug naar België was vertrokken gingen ze met hun probleem naar de Belgische commissaris van de provincie Lusambo die onmiddellijk het ministerie van Koloniën in Brussel op de hoogte bracht.

De bal ging aan het rollen en Jules werd meermaals aangemaand om zijn openstaande schuld van 3501,49 Bfr. te vereffenen. Jules ging regelmatig naar Brussel om de situatie uit te leggen. Zijn argumentatie was dat hij zonder werk zat en financieel afhankelijk van zijn ouders was. Hij beweerde echt niet te kunnen betalen.

In zijn dossier zitten verschillende aangetekende brieven en de toon verhardt ook naarmate de tijd verderloopt. Bij het ministerie waren ze blijkbaar ook niet van gisteren en een interne nota spreekt boekdelen :

 

Figuur 15 Detail uit een interne nota gedateerd 23 november 1933

 

Vertaling: “Ik twijfel aan de goede intenties van de heer MYLEMANS. Zijn handelswijze lijkt sterk op oplichting.”

Jules’ laatste brief aan het ministerie van Koloniën dateert van 8 maart 1934 waarin hij meedeelt dat hij altijd een goede ambtenaar geweest is en dat hij graag opnieuw in dienst wil treden. Hij geeft zelfs aan wat zijn voorkeur heeft want hij suggereert de post van sanitair agent of landbouwagent. Vanzelfsprekend zal het riante loon dat hij in Congo ontving een belangrijk element geweest zijn bij zijn sollicitatiepoging.

Gelijktijdig dus discussies over schulden én opnieuw solliciteren als toekomstige werkkracht, gezien de context vonden wij zijn sollicitatiebrief ronduit hilarisch. Jules deed de waarheid op z’n zachtst gezegd serieus geweld aan.

 

Figuur 16 Jules wil terug naar Congo als ambtenaar

 

Vertaling van de door ons onderstreepte tekst:

Ik wens opnieuw in dienst te treden van de Kolonie, bij voorkeur als sanitair agent of landbouwagent.

Gedurende mijn dienstjaren heb ik altijd volledige voldoening aan mijn superieuren gegeven.

Ik zou in dienst van de Kolonie gebleven zijn indien persoonlijke redenen mij niet hadden verplicht om mijn terugkeer naar Europa uit te stellen

Deze brief hebben we gevonden in zijn dossier. Het ministerie heeft hem dus wel ontvangen, maar ze vonden het duidelijk niet de moeite om hierop een antwoord te sturen. Jules was geen groot verlies voor een glorieuze koloniale toekomst.

Jules moest nog 30 jaar worden en was dan al mislukt in alles wat hij aanvatte, een triestige balans!

Of zijn schulden uiteindelijk betaald zijn weten we niet. Misschien, maar dat is een hypothese, werd de grond onder zijn voeten te heet in België en is hij opnieuw gevlucht. Feit is inderdaad dat Jules opnieuw naar Afrika vertrokken is maar dan wel niet als koloniaal ambtenaar.

Wanneer exact hebben we niet kunnen achterhalen maar het moet nog ergens in de jaren dertig geweest zijn, alleszins voor het uitbreken van de tweede wereldoorlog. Maar vanaf zijn tweede Afrikaanse periode worden de bronnen extreem schaars omdat de breuk met zijn familieleden toen definitief was.

 

Figuur 17 Jules op 23 maart 1933

 

Een barslechte verstandhouding met zijn ouders, broers en zussen

Zijn alcoholverslaving, zijn professioneel wangedrag en zijn financiële problemen zorgden voor een bijna totale breuk met de familie.

Bij aanvang van zijn Congo-avontuur was de verstandhouding ook niet echt goed te noemen. We vonden immers een eigenaardigheid in zijn dossier, op de hoofdpagina die niet gedateerd is, maar waarschijnlijk dateert uit 1926, staan niet zijn ouders als contactpersonen vermeld, maar wel zijn oom Louis Mylemans (°1856 +1942) die vlakbij Jules’ ouders woonde. Alsof alle contact met de ouders toen al niet meer wenselijk was.

Het zou kunnen dat zijn familie het echt niet zag zitten dat Jules naar Congo vertrok. Ook mogelijk is dat Jules voorbestemd was om priester te worden, maar daar geen zin in had en zelfs zijn studies niet afmaakte wat de streng katholieke familie misschien moeilijk kon accepteren.

De laatste keer dat zijn familie Jules gezien heeft was in 1953 toen hij zijn erfdeel van de verkoop van zijn grootouderlijke woning kwam ophalen. Na 1953 was er alleen nog zeer zeldzaam schriftelijk contact met enkele van zijn zussen.

Opnieuw naar Afrika

Voor het uitbreken van de tweede wereldoorlog is Jules terug naar Congo vertrokken. Hij heeft daar o.a. een tijdje gewerkt voor zijn zus Marie en haar man Jef Vermeylen, die directeur was van een koffieplantage en later van een zeepfabriek in Congo. Deze samenwerking is allesbehalve goed verlopen. Jef Vermeylen was later bijzonder ontstemd telkens die kwestie ter sprake kwam. Hij had dus zeker geen goede herinneringen aan zijn schoonbroer Jules.

In 1942, dus in volle oorlogstijd, verbleef Jules in Zuid-Afrika, waar hij opgenomen was in het privé-hospitaal “The lady Dudley Nursing Home proprietary company (pty.).”. Dat was gelegen in Joannesburg. Waarom hij daar opgenomen werd weten we niet.

 

Figuur 18 Rekening van het hospitaal in Joannesburg

 
 

Figuur 19 Jules’ verblijfpas voor Zuid-Afrika

 
 

Figuur 20 verblijfspas voor Zuid-Afrika, Jules verbleef er in het Elgin Hotel en mag geen enkele vorm van arbeid verrichten in Zuid-Afrika

 

Huwelijk met een Spaanse of zwarte vrouw

Gedurende ons onderzoek werd ons mondeling meermaals verteld dat Jules gehuwd was met een Spaanse of zwarte vrouw, of misschien wel een Spaanse zwarte vrouw. We hebben nooit kunnen achterhalen wie die vrouw was en waar en wanneer ze gehuwd zijn.

Het huwelijk dateert in elk geval niet van tijdens zijn koloniale periode of die korte tijd begin jaren 30 wanneer hij terug in België bij zijn ouders woonde. Toen was hij duidelijk nog ongehuwd.

Misschien is hij in Afrika gehuwd tijdens zijn tweede periode aldaar, maar met zekerheid weten we het niet.

Uit latere familieoverlevering is ook niet veel informatie te rapen, de familie wist wel dat hij getrouwd was maar niemand heeft zijn vrouw ooit gezien.

Toch nog terug naar België

Een laatste spoor van Jules is een brief door hem geschreven op 26 april 1965 aan zijn zus Gusta.

Hij schrijft dat hij sinds mei 1958 bediende is bij het leger, eerst 4 jaar in het klein Kasteeltje te Brussel en nu op de luchtmachtbasis van Evere.
Hij werkt daar niet als militair maar als burger en in zijn eigen woorden staat er “We hebben hier een schoon leven, enkel wat papieren rangschikken enzo”.
Hij laat in die brief ook weten te sukkelen met astma, een ziekte waaraan zijn moeder is overleden.

Jules vertelt in die brief ook dat hij van een advocaat uit Leopoldstad (dat is het huidige Kinshasa) vernomen heeft dat hij sinds oktober 1962 weduwnaar geworden is, al heeft hij daar officieel niets van gehoord. Vermoedelijk verbleef zijn vrouw dus nog in Afrika terwijl hijzelf terug in België was.

Hij beëindigde zijn brief met de vragen: “En hoe gaat het met u Gusta? en de kinderen? misschien al dikwijls grootmoeder? “

Hiermee bewijst hij dat er al jarenlang geen contact meer was met zijn zus Gusta of de familie. Gusta was op dat moment immers al 11 keer grootmoeder!

Na deze brief uit 1965 hoort de familie totaal niets meer van hem. Waar zit hij? Leeft hij nog? Niemand die het weet.

Overlijden

In het voorjaar van 2022 hebben we alle Brusselse gemeenten aangeschreven om te weten te komen waar en wanneer hij is overleden. Van de Stad Brussel kregen we nieuws dat hij overleden is op 26 september 1969 in de Van Gaverstraat 10 te Brussel, waar hij ook gehuisvest was. Hij werd op 30 september 1969 als behoeftige begraven in een armengraf met een concessie van 5 (VIJF !) jaar.

Gestorven in eenzaamheid en compleet aan lager wal geraakt, maar met waarschijnlijk ook heel wat verhalen over Afrika die hij meenam in zijn graf.

Annex: Hoe werkte de Belgische overheid in haar kolonie?

Op 23/02/1885 werd het gebied aan de westkust van Afrika ter hoogte van de evenaar en zich uitstrekkend rond het bekken van de Congo-stroom door de internationale Conferentie van Berlijn erkend als Congo-Vrijstaat of Onafhankelijke Congostaat met koning Leopold II als stichter. Het was het privébezit van koning Leopold II die erover regeerde.

Voor het dagdagelijks beheer van dit gebied dat vele malen groter was dan België had Leopold II een administratie opgericht, het “Gouvernement Central de l’Etat Indépendant du Congo”, dat bestond uit een drietal departementen: het Departement van Buitenlandse Zaken, het Departement der Financiën en het Departement van Binnenlandse Zaken. Deze beheersstructuur zou over de tijd verder evolueren.

Op 18/10/1908, na herhaalde klachten van wanbeheer en mistoestanden en zelfs gruwelijkheden ten overstaande van de lokale bevolking, zag Leopold II echter af van het idee om Congo-Vrijstaat verder in privébezit te houden en werd het gebied als een kolonie aan België geannexeerd. Het kreeg nu de naam Belgisch-Congo.

De beheersstructuur die door Leopold II was opgericht bleef grotendeels bestaan, zodat er op het terrein van continuïteit sprake was. Het Koloniale Charter van 1908 legde de basis voor het gedeeltelijk vernieuwde bestuur van de kolonie.

Het centrale beheer in Brussel lag bij de Minister van Koloniën, bijgestaan door een Koloniale Raad. In de kolonie zelf was er ook een uitgebreide administratie aanwezig. Het Algemeen Beheer van Belgisch-Congo, zeg maar de centrale administratie, zetelde tot 1926 in Boma en verhuisde in datzelfde jaar naar de nieuwe koloniale hoofdstad Leopoldstad. De ruggengraat van de koloniale administratie werd gevormd door de Gewestdienst. Elke provincie was ingedeeld in een aantal districten en ieder district in gewesten. Aan het hoofd van een district stond een districtscommissaris en aan het hoofd van een gewest stond een gewestbeheerder. Die laatste werd bijgestaan door een aantal gewestbeambten.

Wat zijn de taken van de Gewestdienst?

De gewestbeheerder was verplicht om 20 dagen per maand zijn gewest te doorkruisen. Op zijn rondreizen moest hij zich langdurig in de hoofdplaatsen van de gebieden en in de voornaamste dorpen ophouden. Hij moest zijn ronde doen, hij moest spreken met de mensen die hij bestuurt en hij moest alle inlandse overheden en grote notabelen kennen en door hen gekend zijn. Bij die rondreizen hield de gewestbeheerder de landbouw, maar ook andere aspecten van het dagelijks leven nauwkeurig in het oog.

Een belangrijk aspect in dit contact tussen blanken en zwarten was de taal. Alle contact met de inlandse bevolking gebeurde in de taal van de inheemse bevolking.

De gewestambtenaar vertegenwoordigde de blanke wereld in de inlandse wereld. Het was dus uiterst belangrijk de juiste mensen de brousse in te sturen, want de controle kon niet permanent het doen en laten van de lokale bevolking beoordelen. Deze ambtenaars moesten zelfstandig te velde beslissingen kunnen nemen, plantrekkers zijn, initiatiefnemers, onafhankelijke werkers sociaal zijn en over een goede gezondheid beschikken. Een Minister van Koloniën verwoordde het als volgt “Wat de regering vooral verwacht van de ambtenaren die belast zijn met de inlandse administratie, is totale toewijding. Ze moeten eerlijk, rechtvaardig en rechtlijnig optreden en dit op basis van een goede dosis gezond verstand”.

De overheid stelde bijgevolg hoge eisen aan de kandidaat ambtenaren: getuigschriften, bewijs van goed gedrag en zeden, diploma aan de koloniale hogeschool te Antwerpen of een andere koloniale school.

Alle koloniale ambtenaren waren vanaf hun proeftijd onderworpen aan het statuut van het personeel in Afrika. Dat statuut tekende duidelijk het profiel van het personeel. De ambtenaar kwam zeer jong in dienst (minimum 21, maximum 28), want de Kongolezen moesten steeds geconfronteerd worden met jonge, veerkrachtige en gezonde blanken. Na 23 jaar dienst in de administratie werden de koloniale ambtenaren op pensioen gesteld, op een moment dat velen onder hen nog vrij jong waren. Het grootste aantal ambtenaren was jonger dan 40.

De ambtenaar was 24 uur op 24 in dienst. Ook in zijn privéleven moest hij zich steeds behoorlijk gedragen, anders vielen er sancties. De gouverneur-generaal kon een ambtenaar op elk moment van zijn proeftijd ontslaan en hem en zijn familie op de eerste boot naar het vaderland doen inschepen wanneer hij, zoals het statuut zei, verstandelijk, zedelijk of lichamelijk ongeschikt bleek. De koloniale ambtenaar mocht niet staken, zelfs geen artikel schrijven voor een blad zonder uitdrukkelijke toestemming van zijn superieuren. Er werd van hem een bijzonder grote tucht en discipline geëist. Daar stonden dan wel enkele bijzonder aantrekkelijke voordelen tegenover. De huisvesting in de kolonie en de medische hulp waren gratis en de salarissen lagen tussen de 40 en de 75 % hoger dan voor een vergelijkbare functie in België.

De volledige administratie van Belgisch-Congo bestond in de jaren ’20 van vorige eeuw uit een twintigtal diensten, gaande van Algemeen Beheer, Provinciebeheer, Gewestdienst tot Douane, Posterijen en Telegrafie.

Elk van deze diensten was op hiërarchische wijze georganiseerd. Zo omvatte de Gewestdienst de volgende hiërarchische niveaus:

  • Districtscommissaris 1e klasse – Commissaire de district de 1re classse

  • Districtscommissaris 2e klasse - Commissaire de district de 2e  classse

  • Toegevoegd districtscommissaris - Commissaire de district adjoint

  • Eerstaanwezend gewestbeheerder – Administrateur territorial principal

  • Gewestbeheerder 1e klasse – Administrateur territorial de 1re classe

  • Gewestbeheerder 2e klasse - Administrateur territorial de 2e classe

  • Gewestbeambte 1e klasse – Agent territorial de 1re classe

  • Gewestbeambte 2e klasse - Agent territorial de 2e classe

  • Gewestbeambte 3e klasse - Agent territorial de 3e classe

  • Toegevoegd gewestbeambte - Agent territorial adjoint

Afhankelijk van het niveau waarop iemand tewerk zou gesteld worden, waren er uiteenlopende eisen voor de aanwerving. Voor de laagste graden was het niet nodig dat men zijn middelbare studies had voleindigd en werd men na een screening van het CV toegelaten tot de Koloniale School, waar men in de jaren ‘50 op 6 maanden tijd werd klaargestoomd voor de dienst in de Kolonie. In de jaren ‘20 duurde die opleiding slechts een 3-tal maanden.

Topambtenaren daarentegen moesten een diploma kunnen voorleggen van welbepaalde universitaire studies, vaak aangevuld met een specifieke koloniale opleiding, of werden op hun taken voorbereid gedurende een 4 jaar durende studie aan de Koloniale Hogeschool te Antwerpen.

Taken van de gewestbeheerder en zijn ambtenaren

De gewestbeheerder had als hoofdtaak de leiding van en de verantwoordelijkheid voor de politieke, economische en sociale inlandse zaken, welke hij in zijn gewest alleen op zich nam. De gewestbeheerder hoefde zich uiteraard niet persoonlijk met al deze werkzaamheden te belasten. Hij kon een deel van deze taken doorspelen aan zijn adjuncten. Maar hij droeg verder wel alle verantwoordelijkheid.

Controleren van de inlandse gebieden

De gewestbeheerder hield contact met de inlandse hoofden, zat de raad van notabelen voor, zorgde voor de bewaring en verbetering van de inlandse instellingen, bewaakte de publieke gezondheid en zorgde voor een verbetering van de hygiënische toestand in de dorpen, controleerde sanitaire installaties, inde belastingen (hij controleerde eigenlijk het innen door de hoofden en de notabelen), controleerde de ontvangsten en uitgaven van de inlandse kassen, controleerde scholen, dispensaria, werkplaatsen, coöperaties, controleerde ook de vonnissen van de inlandse hoofden, organiseerde de landbouw door de dorpen te verplichten bepaalde gewassen te telen en inspecteerde deze.

Het verzekeren van de orde

De gewestbeheerder sprak recht, hij was politieofficier en politierechter, hij deed alle onderzoek in zijn sector of gewest, van verkeersongevallen en diefstallen tot jachtongevallen en moorden, hij was deurwaarder, notaris en verantwoordelijk voor de gevangenis, las berichten aan de bevolking voor, voerde gesprekken met de chef en ronselde soldaten. De gewestbeheerder stond aan het hoofd van de territoriale troepen. De hoofdtaak van deze troepen was het handhaven van de openbare orde.

Technische taken

De gewestbeheerder legde wegen aan, bouwde bruggen en huizen voor de administratie, plantte bomen en zorgde voor de begraafplaats, kortom alle gebouwen of plaatsen met een publiek nut.

Bureaucratie

Vele koloniale ambtenaren kloegen de overlast aan bureaucratisch werk aan. De gewestambtenaar moest een heleboel papieren invullen i. v. m. statistieken, er moesten volkstellingen gehouden worden, hij bepaalde wie er het district kon verlaten (om de slumvorming rond de steden tegen te gaan), deelde jachtvergunningen uit, en moest allerlei andere aanvragen van Afrikanen goed- of afkeuren. Hij hield ook de gewestelijke boekhouding bij en moest tientallen rapporten schrijven over de toestand in zijn gewest. Daarbij ontving hij van elk van zijn 2 of 3 assistenten zo’n 1000 rapporten en brieven per jaar. Tevens was hij het doorgeefluik van de stapels instructies en vragen van de provinciale en centrale besturen.

Het belangrijkste document van het gewest was het register der politieke inlichtingen, met de hele geschiedenis van het gewest (politieke gebeurtenissen), chefferies, opvolgingen van inlandse hoofden, en alle nuttige inlichtingen betreffende de omstreken.

Het vademecum voor de agenten van de gewestdienst gaf de volgende richtlijnen in verband met het houden van het register der politieke inlichtingen. “In het register worden, naarmate zij zich voordoen, de gebeurtenissen opgetekend, welke enige invloed op het maatschappelijk en politiek leven van de bevolking kunnen hebben. (...)Op geregelde tijdstippen constateert hij er eveneens sommige gevestigde toestanden. Deze bevindingen worden best gedaan in de vorm van statistieken of van diagrammen (...)In zijn feitenrelaas moet de samensteller de grootst mogelijke objectiviteit in acht nemen (...)In politieke verslagen kunnen zodanige (LG - persoonlijke) beschouwingen wel op hun plaats zijn (...)”.

Bronnen

  • Bulletin Officiel de l’Etat Indépendant du Congo (1885 en 1886)

  • Bulletin Officiel du Congo Belge – Ambtelijk Blad van Belgisch-Congo (1926, 1927, 1928 en 1929)

  • Receuil à l’usage des fonctionnaires et des agents du Service territorial au Congo Belge, 5e Edition, 1er Août 1930

  • Topambtenaar in Belgisch-Kongo, Een studie naar beeldvorming bij ambtenaren in gewestdienst, van het niveau van goeverneur-generaal tot hulpgewestbeheerder, in de periode 1958-1960, Scriptie voor het behalen van de graad van Licentiaat in de Geschiedenis, 1996-1997, Universiteit Gent, Linda Goeman

Vorige
Vorige

Adriaen Mylemans vraagt een certificaat van goed gedrag