Hoe de Tallaarthoeve bijna 150 jaar in de familie bleef
Lieve Mylemans
Inleiding
Onze zoektocht naar de exacte ligging van onze familiehoeve op het gehucht Tallaart kwam in een vorig artikel van de Mylekrant reeds uitvoerig aan bod. In dit artikel gaan we dieper in op de geschiedenis van deze hoeve. Uit allerlei erfenisaktes blijkt immers dat deze hoeve bijna 150 jaar van generatie op generatie in de familie bleef.
Een hofstede of meerledige hoeve
In de aktes die we gevonden hebben wordt de hoeve telkens vermeld als een hofstede met aparte gebouwen voor het woongedeelte, de schuur en toebehoren.
Figuur 1 detail uit een akte van 1660 met de beschrijving van de hoeve:
“hoffstede, mette huysinge, schure, stallinghen
winnende landen gronde en(de) toebehoorten, groot
ontrent een halff buender gestaen binnen
deser heerlyckheyt van Berlaer op Talaer;
tusschen Merten vanden Brande’ erffve ter
eenre, t’clooster van Facons tot Ant =
= werpen ter tweedere, ende ter derdere,
ende sheeren strate ter vierdere syden,”
Een kempische meerledige boerderij werd ook wel hofstede genoemd en bestond uit twee ongeveer even grote hoofddelen, namelijk het woonstalhuis en de schuur. Verspreid rondom het erf vond men dan ook nog kleinere bouwkundige elementen zoals bijvoorbeeld een bakhuis, een varkenshok, een hondenhok en een wagenhuis.
Een dergelijke hofstede was een boerderijtype dat niet zo algemeen gangbaar was in de Kempen en getuigde van een zekere welstand. De kleinere kempische langgevelhoeve die gekenmerkt wordt door een woonst, stal en schuur onder één dakconstructie kwam heel wat meer voor.
Figuur 2 voorbeeld van een hofstede of meerledige hoeve
1605 – 1621 hoe het begon
In 1605 kocht Michiel Mylemans een aantal gronden die gelegen waren op het gehucht Tallaart, gelegen in het huidige Koningshooikt. Na zijn overlijden in 1621 en het overlijden van zijn vrouw Anneke Van den Ouwermuelen in 1623 blijkt uit de verdelingsakte van 1624 dat op het stuk grond vlakbij de grote herenboerderij van het Falcontinnenklooster een meerledige hoeve gebouwd werd. In deze akte van 1624 wordt de ligging van hun hoeve heel precies aangeduid maar er werd niet vermeld hoe deze hoeve er uitzag en evenmin uit welke materialen deze hoeve bestond.
Volgens deze akte werd de hoeve eigendom van Jan Mylemans, een van de zonen van Michiel en Anneke. Het erfdeel van zijn broer Hendrick en zus Maijke bestond uit landbouwgronden in respectievelijk Tallaart en Putte.
1624 - 1636 Hendrick Mylemans en Margriet Vande Wouwere
De erfdeling van 1624 moet later nog aangepast zijn. Een notariële akte daaromtrent hebben we niet gevonden maar uit latere aktes blijkt dat Hendrick de volle eigenaar van de hoeve geworden is. De broers Jan en Hendrick hebben hoogstwaarschijnlijk hun erfdelen omgeruild.
Figuur 3 ligging van de eigendommen van Hendrick Mylemans, op het groene perceel staat de hoeve, het paarse perceel was zijn landbouwveld.
Hendrick overleed al in 1625 en zijn vrouw Margriet Vanden Wouwere bleef met de minderjarige kinderen op de hoeve wonen. Zijzelf overleed aan de pest in 1636. De kinderen bleven daarna nog enkele jaren in onverdeeldheid. Gezien hun jonge leeftijd is het niet zo verwonderlijk dat ze eerst nog bleven wonen in de ouderlijke hoeve. Hun wegen zullen pas zeer geleidelijk scheiden.
In 1642 werd een eerste verdeling opgesteld waarbij de zonen Adriaen (°1609), Jan (°1614), Peeter (°1621) en Merten (°1624) ieder één vierde van de hoeve verwierven. Peeter zullen we in het vervolg van dit artikel systematisch Peeter de oude noemen om verwarring te vermijden met zijn zoon Peeter de jonge die later ook een belangrijke rol in de geschiedenis van de hoeve zal spelen.
1660 –1667 de broers Peeter de oude en Merten
In 1660 woonde de oudste zoon van Hendrick, Adriaen, met zijn gezin op de hoeve. Dat weten we omdat het specifiek vermeld werd in een verkoopakte. Adriaen verkocht toen zijn erfdeel, een vierde deel van de hoeve, aan zijn jongere broer Merten. Ook de andere broer, Jan, verkocht op hetzelfde moment zijn erfdeel aan Merten. Merten die zelf voordien ook al een vierde geërfd had werd op deze wijze dus eigenaar van drie vierde van de hoeve. Alleen Peeter de oude verkocht zij erfdeel niet aan Merten.
Voortaan waren dus twee broers, Peeter de oude en Merten, eigenaar van de hoeve terwijl hun broer Adriaen gewoon verder op de hoeve bleef wonen.
Merten woonde in de binnenstad van Lier met zijn gezin en verdiende er de kost als kleermaker. Maar het noodlot sloeg hier vroeg toe: Merten overleed in 1667 op 43-jarige leeftijd en liet een weduwe met drie jonge kinderen achter.
Dat hij een goede en hardwerkende kleermaker moet geweest zijn kunnen we afleiden uit de inventaris van zijn sterfhuis. Merten was blijkbaar niet alleen eigenaar van drie vierden van de ouderlijke hoeve op Tallaart maar ook nog eigenaar van het huis dat hij bewoonde in Lier.
1667 – 1696 de hoeve wordt verhuurd
Maria Vercammen, de weduwe van Merten Mylemans, bleef in Lier wonen en hertrouwde vrij snel met een zekere Laureys Van den Brande. De voogden van haar minderjarige kinderen beslisten daarop om de hoeve te verhuren. Op deze wijze kon de hoeve immers inkomsten genereren voor het levensonderhoud van de drie zoontjes van Merten.
Enkele van de huurcontracten zijn bewaard gebleven. Zo werd de hoeve in 1676 verhuurd voor drie jaar aan Dielis Verlinden. Dit huurcontract bevat interessante informatie over de hoeve.
De huurder werd verplicht om jaarlijks het dak van de “huijsinge” (dit is dus het gebouw met de woon- en stalfunctie) opnieuw te laten dekken met twintig bussels dekstro en hij moest ook de lemen wanden van de hoeve behoorlijk onderhouden.
Figuur 4 detail uit het huurcontract van 16 mei 1676
“Item moet den huerder iaerlijcx tsijnen
costen op de vs huijsinge doen verdecken twintich
busselen deckstroij daertoe leverende de latten, roijen ende
naegelen ende alle t’gene daertoe noodich is”
Uit deze verplichtingen blijkt dat de hoeve heel wat onderhoud nodig had: lemen wanden die jaarlijks moesten hersteld en gewit worden en het strodak dat moest vernieuwd worden. Dit was dus duidelijk een lemen vakwerkboerderij.
Figuur 5 voorbeeld van een lemen vakwerkboerderij met rieten dakbedekking
Eeuwenlang werd stro als dakbedekking gebruikt. Stro had als nadeel dat het niet goed bestand was tegen de winterse weersomstandigheden en daardoor moest het elk jaar vernieuwd worden. Vanaf het einde van de 19e eeuw begon men met het gebruik van riet dat veel beter bestand is tegen regen en sneeuw en dus minder snel moest vervangen worden.
In 1683 was Peeter de oude, die nog altijd eigenaar was van een vierde van de hoeve, in financiële problemen geraakt. Hij werd door de schepenbank van Berlaar verplicht om zijn schulden aan te zuiveren door de verkoop van zijn huisraad en door de verhuur van zijn vierde deel in de hoeve. Tot dan had hij nog nooit enige vergoeding ontvangen voor het gebruik van zijn hoevedeel.
Een jaar later, begin 1684, huwde Peeter de jonge - een zoon van Peeter de oude- en de jonge echtelingen gingen daarna wonen op de hoeve. Hun huurcontract is bewaard gebleven en zij huurden van hun (schoon)vader Peeter de oude die voor een vierde eigenaar was en van hun neef Adriaen (een zoon van Merten) die eigenaar was van de overige drie vierden.
Alles verloopt schijnbaar tot ieders tevredenheid tot het begin van 1696. In dat jaar overleed namelijk Adriaen Mylemans, de eigenaar van de drie vierden. Hij had in zijn testament van 2 januari 1696 zijn twee halfbroers Guilliam en Peeter Van den Brande aangeduid als zijn erfgenamen.
Net voor zijn overlijden had Adriaen ook nog opdracht gegeven om zijn gedeelte van de hoeve openbaar te verkopen aan de hoogstbiedende. Op de derde en laatste zitdag van deze verkoop, op 29 maart 1696, kocht Peeter de oude voor 241 gulden de drie vierde hoeve. Hiermee werd hij dus eigenaar van de volledige hoeve, althans zo dacht hij want er waren blijkbaar kapers op de kust.
Ondertussen was Adriaen Mylemans overleden. We weten niet exact waar en wanneer maar we vermoeden dat het ergens in Antwerpen was omdat zijn testament geacteerd werd bij een Antwerps notaris. De afhandeling van zijn testament vond plaats op 21 april 1696 en de notaris moet er zowaar een punthoofd van gekregen hebben.
De erfgenamen Guilliam en Peeter Van den Brande hadden namelijk de hoeve ondertussen al verkocht aan Melchior Bogaerts, een oud-schepen van Lier. Peeter de oude was hierover niet te spreken en trok naar de rechtbank om te protesteren want hij meende de rechtmatige eigenaar te zijn. Guilliam en Peeter Van den Brande trokken ook naar de rechtbank met een rekwest om hun verkoop aan Melchior Bogaerts geldig te verklaren.
Deze onverkwikkelijke kwestie werd zeer snel afgehandeld door de rechtbank van Befferen. Reeds op 22 mei 1696 werd de verkoop aan Melchior Bogaerts nietig verklaard en werd Peeter de oude als rechtmatige eigenaar erkend.
Conclusie: in 1642 was Peeter de oude door erfenis eigenaar geworden van een vierde van de hoeve. Pas in 1696, zo maar even 54 jaar later, kon hij op een openbare verkoop de overige drie vierden verwerven en na wat juridisch gehakketak werd hij dus eindelijk eigenaar van de volledige hoeve.
Minder dan een jaar later, op 21 april 1697 werd Peeter de oude begraven te Berlaar. Hij had de gezegende leeftijd van 75 jaar bereikt. Zijn kinderen erfden daarop de hoeve in onverdeeldheid.
1697 – 1747 Peeter Mylemans de jonge
Bij het overlijden van Peeter de oude in 1697 werden zijn vijf kinderen en één kleinzoon eigenaar van de hoeve op Tallaart. De erfenis werd in zes delen opgesplitst.
Anna (°1644), Catharina (°1648), Hendrick (°1651), Peeter de jonge (°1657), Daniel (°1663), en Adriaen (het enig kind van Jan Mylemans die reeds in 1690 overleden was) bleven gedurende jaren gezamenlijk eigenaar van de hoeve. Kleinzoon Adriaen Janssone zal zijn erfdeel in 1708 verkopen aan zijn oom Peeter de jonge. Voor alle anderen daarentegen bleef de situatie van gemeenschappelijke eigendom nog een hele tijd ongewijzigd.
Wanneer hun oudste zus Anna in 1716 kinderloos overlijdt komt er verandering in de situatie van onverdeeldheid. Haar bezittingen waaronder dus ook haar zesde deel van de hoeve, werden verdeeld over de vijf anderen en men vond klaarblijkelijk dat de tijd rijp was voor enkele herschikkingen. In 1717 zal Peeter de jonge de andere eigenaars stelselmatig uitkopen. Of dit financieel mogelijk gemaakt werd omdat Peeter de jonge ook een som geld van zijn zus Anna had geërfd is een hypothese maar geen sluitend bewijs.
Figuur 6 detail uit de erfenisakte van 1716 n.a.v. het overlijden van Anna Mylemans
In bovenstaand fragment zien we van boven naar onder de handtekeningen van Peeter Mijlemans (=de jonge), Henderick Mylemans, Daniel Meijlemans en Catarina Mijlemans begijnken, onderaan links staat een kruis met errond de vermelding “hantmerck van Ad. riaen Mijlemans”. Deze laatste was dus ongeletterd, in tegenstelling tot zijn ooms en tante die duidelijk leesbaar konden handtekenen. Rechts onderaan heeft de notaris getekend: P Geerts Nots Pub 1716.
Peeter Mylemans de jonge werd net geen 90 jaar oud wat zeer respectabel was voor die tijd. Hij werd op 19 augustus 1747 begraven te Schriek waar hij verbleef bij zijn jongste zoon Jan. De hoeve op Tallaart was dan nog altijd zijn eigendom en werd geërfd door zijn nageslacht.
Peeter Mylemans de jonge en zijn vrouw Anna Aerts hadden in totaal acht kinderen. Enkele van deze kinderen waren jong gestorven zonder zelf kinderen na te laten: Gummarus (°1687), Catharina (°1700) en Gummara (°1696). Vooral deze laatste was een tragisch verhaal: zij was begin 1727 gehuwd en 8 maanden later al overleden, we vermoeden als gevolg van problemen met de zwangerschap.
Van hun vijf overige kinderen waren er in 1747 ook al twee overleden:
Daniel (1684-1724) woonde in Duffel, zijn kinderen Peeter, Gommerijne, Maria en Jan Mylemans zullen erven in de plaats van hun vader.
Maria (1692-1730) woonde in Berlaar en was gehuwd geweest met Jacob Bernaerts. Haar kinderen Jan, Elisabeth, Catharina en Joanna Bernaerts zullen erven in de plaats van hun moeder.
Er bleven in 1747 dus maar amper drie kinderen over die hun vader Peeter de jonge overleefd hebben!
Elisabeth (1690-1759) was reeds tweemaal weduwe en in 1746 voor de derde maal gehuwd, zij woonde in Duffel en had geen kinderen.
Jenneke (1696-1751), was in 1747 ook al tweemaal weduwe en woonde met haar kinderen uit haar eerste huwelijk met Gommer van Hove op de Tallaarthoeve.
Jan (1702-1764) woonde te Schriek, ook hij was al weduwnaar en daarna hertrouwd met Catharina Asselberghs.
Bij het overlijden van Peeter de jonge moest zijn erfenis dus als volgt staaksgewijs verdeeld worden: één vijfde voor Elisabeth, één vijfde voor Jenneke, één vijfde voor Jan, één vijfde voor de 4 kinderen van Daniel en één vijfde voor de 4 kinderen van Maria, in totaal waren er dus elf erfgenamen.
1748 de openbare verkoop “metten brandende keirsse”
Vrij snel na het overlijden van Peeter de jonge besliste de familie tot de openbare verkoop van de hoeve.
Een openbare verkoop bestond toen standaard uit 3 zitdagen met een tussentijd van telkens 14 dagen. Bij het begin van elke zitdag stak de notaris of zijn klerk een kaars aan. Zolang deze kaars brandde kon men een bod uitbrengen. De hoogstbiedenden op de eerste en de tweede zitdag konden ook nog zogenaamde verdieren inzetten. De verdieren waren gewoon een extra som geld die de koopprijs verhoogden. Dit was eeuwenlang een typisch gebruik om wat bij te verdienen en men noemde die mannen dan ook “verdierenpikkers”. Immers, indien de inzetter van de verdieren (de verdierenpikker dus) op de derde zitdag niet de uiteindelijke koper van het goed was moest de koper het bedrag van de verdieren betalen aan deze verdierenpikkers.
Op 7 februari 1748, de derde zitdag, werd de hofstede met huis, stal, schuur, grond en toebehoren verkocht aan Gommaar Raets en zijn vrouw Catharina Goossens voor 282 gulden, verdieren inbegrepen.
Een maand later, op 11 maart 1748, werd de verkoop voor de schepenbank geacteerd nadat de betaling vereffend was.
Daarmee eindigde dus het verhaal van onze familie op het gehucht Tallaart. Onze verre voorvaders zochten daarna andere wegen op. De nakomelingen van Daniel Mylemans zouden nog een hele tijd in Duffel blijven wonen en de nakomelingen van Jan Mylemans vestigden zich vooral in de streek van Schriek en Heist-op-den-Berg. Zowel Daniel als Jan hebben nog heel wat naamdragers tot op heden.
Figuur 7 familiestructuur van de eigenaars van de Tallaarthoeve
Verwante artikelen
Bronnen
Aktes die online consulteerbaar zijn op de website van Familysearch
1605 – Aankoop van gronden door Michiel Mylemans https://www.familysearch.org/ark:/61903/3:1:3QHV-V38C-YCFP?i=421&cat=39967
1624 – Verdeling nalatenschap Michiel Mylemans en Anna van den Ouwermuelen https://www.familysearch.org/ark:/61903/3:1:3QHV-J38C-Y4L5?i=678&cat=39967
1642 – Verdeling van de nalatenschap van Hendrick Mylemans en Margriet Vande Wouwere https://www.familysearch.org/ark:/61903/3:1:3QHV-V38C-Y3GZ?i=444&cat=39967
1660 – Adriaen en Jan Mylemans verkopen hun erfdeel aan hun broer Merten https://www.familysearch.org/ark:/61903/3:1:3QHV-V38C-T2K2?i=288&cat=39967
1668 – inventaris van het sterfhuis van Merten Mylemans https://www.familysearch.org/ark:/61903/3:1:3QHN-T3Y8-DW4P?i=183&cat=428108
1748 – verkoop van de hoeve door de erfgenamen van Peeter Mylemans en Anna Aerts https://www.familysearch.org/ark:/61903/3:1:3QHV-J38C-5FX2?cat=39967
Aktes in het Stedelijk Archief Lier (SAL)
1676 – verhuur van 3/4 van de hoeve aan Dielis Verlinden SAL 1664 24
1683 – Peeter de oude wordt verplicht om zijn deel van de hoeve te verhuren SAL 1559
1692 – huurcontract van Peeter de jonge SAL 1429
1696 – juridische perikelen bij de erfenis van Adriaen Mylemans SAL 1669 415
1708 – Adriaen Janssone verkoopt zijn erfdeel aan Peeter de jonge SAL 1641 114
1716 – erfdeel van Anna Mylemans wordt herverdeeld SAL 1605 107
1717 –Peeter de jonge koopt zijn broers en zus uit SAL 1650 66