Een jezuïet met een levensgevaarlijke opdracht

Franciscus Mijleman (1610 – 1667)

Lieve Mylemans

Inleiding

In dit artikel vertellen we over het leven van Franciscus Mijleman, een Vlaming uit Brugge die opgeleid werd in zijn geboortestad en in Douai (Fr.), en eens tot priester gewijd, zich aansloot bij de jezuïetenorde. In 1639 werd hij als jezuïet-missionaris uitgezonden naar de streek rond Groningen.

Hoewel het protestantisme vanaf 1594 in de regio van Groningen de enige officieel toegelaten godsdienst geworden was waren er nog steeds groepen katholieken aanwezig die vooral in afgelegen gebieden zoals de Ommelanden hun oude geloof trachtten in stand te houden.
Om deze katholieken in het geheim te ondersteunen en ook in de hoop de afvallige protestanten terug te kunnen winnen voor het katholicisme stuurde de jezuïetenorde missionarissen naar deze regio. Een van deze missionarissen was Franciscus. Zijn werk en levensomstandigheden waren er bijzonder moeilijk omdat hij constant op zijn hoede moest zijn voor mogelijke arrestatie en vervolging.

De jaren 1610 – 1636, zijn jeugd en opleiding

Bij het begin van hun opleiding en intrede tot de orde van de jezuïeten werden de kandidaten grondig gescreend door de oversten van de orde. Hiertoe moest de kandidaat als het ware een sollicitatiebrief met zijn curriculum vitae gedetailleerd neerschrijven waarna het waarheidsgehalte ervan geverifieerd werd.

Zo bezit de jezuïetenorde nog steeds de in het Latijn geschreven sollicitatiebrief van Franciscus Mijleman.

 

Figuur 1 Het curriculum vitae van Franciscus Mijleman geschreven op 3 september 1636

 

Uit dit document vernemen we informatie over zijn afkomst en opleiding.

Franciscus is geboren op 15 maart 1610 te Brugge als zoon van de kleermaker Petrus Mijleman en zijn vrouw Jacoba Bollaerts.

De Brugse parochieregisters zijn onvolledig voor het jaar 1610, zo zijn de doopgegevens van de grote Sint-Salvatorparochie pas vanaf 1611 bewaard.
Uit ons onderzoek blijkt wel dat er in het gezin van Peter Mijleman en Jacoba Bollaerts nog een zoontje, Willem, geboren werd dat op 23 januari 1613 in de Sint-Salvatorkerk gedoopt werd. Over de familie Mijleman is verder geen informatie meer te vinden in de Brugse parochieregisters. Of zij van Brugse afkomst waren is niet bekend, evenmin is het zeker dat zij overleden zijn in Brugge.

Franciscus schrijft verder dat hij eerst 6 jaar naar de Latijnse school van de paters Jezuïeten te Brugge ging waarna hij achtereenvolgens 2 jaar wijsbegeerte en 3,5 jaar theologie studeerde aan de universiteit te Douai (in Noord-Frankrijk).

In die tijd was het allesbehalve evident dat een jongen van zeer bescheiden afkomst zoals Franciscus naar de Latijnse school ging en daarna zelfs nog universitaire studies aanvatte. Voor de gewone man was dit totaal onbetaalbaar. Franciscus moet dus financiële steun gekregen hebben. Misschien zag de plaatselijke clerus wel een goede pastoor in een intelligente jongen van goede katholieken?

Na zijn studies keert hij terug naar zijn geboortestad om er les te geven aan de bogaardenchool, maar dat duurt niet zo lang, want “brandend van verlangen naar een hoger leven” vraagt hij om toegelaten te worden tot het noviciaat van de jezuïeten. Dat wordt hem toegestaan maar de jezuïeten stellen hierbij als voorwaarde dat hij eerst tot priester moet gewijd worden.

Op 15 maart 1636 wordt hij door Servaas de Quinckere, bisschop van Brugge, tot priester gewijd waarna hij op 24 juli van datzelfde jaar arriveert in het noviciaatshuis te Mechelen om aan de jezuïetenopleiding te beginnen. Een drietal jaren later wordt hij dan eindelijk tot jezuïet gewijd en als missionaris uitgezonden naar het protestantse Nederland om daar de vervolgde katholieken te ondersteunen.

De missie van Franciscus

Op 28 december 1639 werd Franciscus naar de Groningse Ommelanden gezonden als missionaris. Hij volgde er zijn ordegenoot, de Groninger Thaddeus Wieringa, op die een nieuwe functie kreeg in de stad Groningen. In de Ommelanden zal Franciscus gedurende 27 jaar actief blijven als zielzorger, tot aan zijn dood in 1667.
Het missiegebied van de uitgestrekte en dunbevolkte Ommelanden werd door de jezuïeten opgedeeld in verschillende werkgebieden om de zielenzorg te vergemakkelijken. Zo liep het noordoostelijk deel van Warffum tot aan de Dollard en werd bediend vanuit Uithuizen. Franciscus werd verantwoordelijk voor dit noordoostelijke deel, waar hij het alleen moest zien te redden. Veel jezuïeten waren er in de Ommelanden niet aanwezig, uit de historische lijsten van deze “veldwerkers” blijkt dat ze er in hun gebied alleen voorstonden, enkel in de stad Groningen was er een kleine kern van collega’s die in een stedelijke context werkten.

 

Figuur 2 De stad Groningen met de Ommelanden, de zwarte lijn duidt het werkgebied van Franciscus aan       
bron Wikipedia met eigen markering

 

In 1592 was de Missio Hollandica Societatis Jesu, (de Hollandse missie van de jezuïeten) al begonnen met als doel de katholieken in de Republiek te ondersteunen en protestanten te bekeren. De missionarissen, die opereerden vanuit vaste of ambulante standplaatsen, verleenden pastorale zorg aan de overgebleven katholieken door middel van geloofsonderricht, prediking en sacramenten.

Na de zogenaamde “Reductie van Groningen” in 1594 waarbij Groningen officieel volledig protestants werd, verslechterde de positie van de katholieken snel. Kloosters werden opgeheven en de openbare uitoefening van het katholieke geloof werd verboden. De jezuïeten moesten de stad en de Ommelanden verlaten na deze Reductie.

Vanaf 1615 zonden de jezuïeten toch weer missionarissen uit naar Groningen en de Ommelanden. Deze katholieke missionarissen leefden en werkten volledig in het geheim. De druk was immens: ontdekking kon leiden tot boetes, verbanning, of zelfs de doodsstraf.

Franciscus werd dus in 1639 uitgezonden naar een vijandig gebied waarbij hij in het uiterste geheim moest werken. Een beperkt aantal Groningers was nog katholiek gebleven en dus moest Franciscus vooral ’s nachts het land doorkruisen om baby’s te dopen, huwelijken in te zegenen en misvieringen te houden.

Enkele katholiek gebleven edelen verschaften hem schuiladressen. Zijn belangrijkste beschermheer was jonker Ludolf van Herema die verbleef op de borg Holwinde (een borg is typisch Groningse burcht) in het dorp Usquert in de buurt van Uithuizen.

 

Figuur 3 De verdwenen borg Holwinde te Usquert, gesloopt in 1768

 

Het werk was zwaar door de onregelmatige werktijden, het enorme werkgebied en de voortdurende dreiging van vervolging. Voor jezuïeten zoals Franciscus Mijleman betekende dit een leven in het verborgene, voortdurend alert op de autoriteiten die katholieke praktijken en de aanwezigheid van katholieke geestelijken verboden. Hij moest zijn missie uitvoeren met grote omzichtigheid, vaak van huis tot huis reizend, om clandestiene missen op te dragen en sacramenten toe te dienen aan de weinige overgebleven katholieken.

Hij schrijft hierover zelf in zijn werk Ommelands Eer o.a. het volgende:

“Van de maand september af, want dan pas is de oogst binnen­gehaald, begin ik nachtelijke vergaderingen te houden. Ze hebben tweemaal of niet zelden driemaal in de week plaats in verschillende dorpen, totdat tegen Pinksteren de nachten te kort en dus ongeschikt worden voor die wijze van werken. Dan moet men zowat om de andere dag het woord voeren tot een zes- of tiental personen, die van elders samenkomen. Wegens het gevaar is het onmogelijk elke dag aan een grote groep zijn diensten aan te bieden.
In de nachtelijke bijeenkomsten zijn er meestal 80, 100, of soms zelfs 150 tot wel 300 personen aanwezig. Van alle kanten komen ze samen langs modderige en overstroomde wegen en in het holst van de nacht.
De arbeid bestaat, afwisselend, uit het geven van toespraken aan het volk, daarna biecht horen, de mis opdragen en opnieuw het volk toespreken, want nieuwelingen, mensen die zwak staan in het geloof, maar ook de meer gevorderden moeten onderwezen worden. Deze arbeid duurt tot ongeveer zeven uur ’s ochtends, onafgebroken, zodat men bijna nooit tijd heeft om zich te warmen bij het vuur.
Ik heb 33 dorpen die ik ieder afzonderlijk in ongeveer vijf of zes weken moet bezoeken. Bij het ene dorp blijf ik langer, bij het andere weer korter. De weg erna toe gaat steeds te voet.
’s Zomers zijn de boeren hier zo druk met het werk dat ik nauwelijks aan een kar kan komen.
Onverwachts bij zieken of pasgeboren kinderen geroepen te worden is buitengewoon vermoeiend, misschien wel het vermoeidste van alles omdat men dan eigenlijk nog niet is uitgerust van het werk van de afgelopen dag of nacht.
In Uithuizen, het dorp met de meeste katholieken, neem ik meestal wat langer rust, maar word continu benaderd door gelovigen uit de vijf omringende dorpen die mijn advies of hulp willen hebben. Ik heb in dat dorp geen eigen woning, maar op twee plaatsen geniet ik gastvrij­heid.
In Appingedam, in het oostelijke gedeelte van de Ommelanden, heb ik eveneens een plaats waar ik kan uitrusten.
Over het geheel heb ik zeker ongeveer 600 katholieken onder mijn hoede. Op drie verschillende plaatsen geef ik catechismus en, van deur tot deur gaande, houd ik dikwijls elke dag tien tot twaalf korte opwekkingen tot de huisgenoten. Deze wijze van doen blijkt het meest geschikt, zowel om de mensen tot het geloof te brengen, als om hen tot een deugdzaam leven aan te sporen.”

Het werk van Franciscus en zijn medebroeders was van cruciaal belang voor het behoud van het katholieke geloof in een vijandige omgeving. Ervoor zorgen dat de overgebleven katholieken niet op hun honger bleven zitten was één ding, ervoor zorgen dat de afvallige protestanten terugkeerden naar de katholieke schaapstal was nog een veel moeilijker te bereiken doelstelling. In het openbaar prediken om zo de protestanten te overtuigen was ondenkbaar uit vrees voor gevangenneming en dus moest overgegaan worden tot minder riskante methodes.

Katholieke propaganda

Om andersdenkenden te overtuigen van het katholicisme als het enige ware geloof moest Franciscus dus zeer voorzichtig te werk gaan. Hij verkoos dit te doen met een aantal geschriften die hij anoniem kon laten circuleren onder de protestantse bevolking.

Franciscus heeft met zijn publicaties een belangrijke bijdrage geleverd aan de strijd om de zielen in het zeventiende-eeuwse Groningen. In de laatste jaren van zijn leven, tussen 1661 en 1664, schreef Franciscus niet minder dan 5 boeken en 1 ongepubliceerd gebleven manuscript.

  • Vast ende klaer bewijs (geschreven in 1661)

Dit werk richtte zich vooral tegen de wederdopers waarbij hij hun geloofspunten als dwalingen weerlegt.

 

Figuur 4 Titelblad van “Vast ende klaer bewijs”

 

Opmerkelijk is dat Franciscus dit eerste werk onder zijn eigen naam, inclusief de toevoeging S.J. (Sociëteit van Jezus), publiceerde, wat ongebruikelijk was gezien de clandestiene omstandigheden waarin hij leefde en werkte. Voor al zijn volgende publicaties zal hij evenwel een schuilnaam gebruiken. Vermoedelijk ondervond hij toch wat problemen na die eerste publicatie en vreesde hij dat hij ontmaskerd zou kunnen worden.  

  • Getrouwe Leydsman (geschreven in 1664)

Met 398 pagina's was dit zijn meest omvangrijke werk. Het werk verscheen onder het pseudoniem François van der Brugge, waarmee hij duidelijk refereerde naar zijn geboortestad.
Dit geschrift was bedoeld om mensen te waarschuwen die meenden dat alleen ‘goed doen en op God vertrouwen’ voldoende was voor de zaligheid, zonder zich aan een specifiek geloof te binden. Franciscus probeerde met dit geschrift te bewijzen dat alleen de katholieke kerk de ware kerk was en speelde in op de angst voor eeuwige verdoemenis.

 

Figuur 5 Titelblad van “Getrouwe Leydsman”

 

De drukkers in het gereformeerde Noorden die het toch waagden katholieke werken te publiceren en verspreiden werden eveneens zwaar gestraft. Om dit te voorkomen gebruikten deze Nederlandse drukkers ook schuilnamen en schuiladressen. Zo wordt op het titelblad van alle werken van Franciscus Mijleman telkens de drukker Philips Van Eyck van de drukkerij “In de vier gekroonde evangelisten” te Antwerpen vermeld. Zowel de naam van de drukker als het adres van de drukkerij zijn volledig fictief.

  • Modell in een Somma begrepen (geschreven in 1664)

Dit boek is een vervolg op “Getrouwe Leydsman” dat hij nog in hetzelfde jaar publiceert en waarin hij zicht richt tot alle andersdenkenden en hij ook de theologische verschilpunten met de Calvinistisch gereformeerden probeert te weerleggen.

 

Figuur 6 Titelblad van “Modell, in een Somma begrepen”

 
  • Twee devotionele liedbundels (geschreven in 1664)

Deze liederen waren geschreven op bekende melodieën en hadden een duidelijke catechetische functie. Ze waren bedoeld voor gebruik tijdens de clandestiene katholieke missen in de Ommelanden en bevatten heel wat liederen ter ere van Onze Lieve Vrouw waaruit duidelijk blijkt dat het liederen zijn voor de katholieke eredienst (protestanten vereren Maria nl. niet).

Voor deze liedbundels gebruikte Franciscus een andere schuilnaam “Victor à Campis” (Victor van de Kempen). Waarom hij voor deze liedbundels een andere schuilnaam gebruikte en waarvan deze afgeleid is is niet bekend. Sint Victor is de patroonheilige van de molenaars en de Kempen liggen een heel eind van Brugge vandaan …
Het was misschien een poging om de aandacht zo ver mogelijk weg te trekken van de kleermakerszoon uit Brugge. Of misschien lagen de roots van zijn familie ergens in de Kempen?

 

Figuur 7 Titelblad van “Nederlandtsche Weer-galm”

 
  • Het handschrift Ommelands Eer (geschreven in 1664)

In tegenstelling tot zijn andere werken is dit manuscript nooit gepubliceerd.

Franciscus Mijleman schreef "Ommelands Eer" voornamelijk voor de katholieke Ommelanders. Op dit manuscript staat ook zijn echte naam vermeld “P. F. M. S.J.” (Pater Franciscus Mijleman Sociëteit van Jezus).

Dit manuscript heeft als volledige titel: "Ommelands-Eere ofte eenige naegelaeten gedenckwaerdige overblijfselen van de gepleegde aldaer godsdiensticheijt onser loffelijcken memorabelen roomsch-catholijcken voorouderen, hier en daer nae de Reductie ofte Overgang tot heden toe op verscheijden plaetsen noch te vinden. Ter gedagtenisse der naezaeten huns erfgeloove ende ijver hunner voorouderen in de Ommelanden opgeraept ende bijeen vergadert door P. F. M. S.J. anno. 1664."

Zoals de titel aangeeft, was het zijn primaire doel om het katholieke verleden van zijn Groningse missiegebied vast te leggen en zo te voorkomen dat die lange katholieke traditie in vergetelheid zou raken en de anciënniteit en continuïteit van de katholieke kerk aantonen. Het manuscript richt zich dus voornamelijk op “de goeie oude tijd “ van voor de Reductie maar bevat ook persoonlijke anekdotes en observaties uit zijn eigen tijd. Hij tekende lokale katholieke tradities en geschiedenissen op uit de mond van zijn parochianen en vertelde hier ook over een aantal maatregelen die hij moest nemen om zijn eigen leven en dat van de andere katholieken te beschermen.

Voorbeelden van dergelijke maatregelen zijn de volgende:
Zo vertelt Franciscus dat hij alleen binnengaat in huizen met een achterdeur omdat hij te allen tijde moet kunnen wegvluchten.
Ook gaat hij nooit samen met een katholiek over straat maar als hij een gids nodig heeft volgt hij hem op grote afstand.
Wanneer hij toevallig een katholiek op straat tegenkomt mogen ze elkaar niet groeten of een teken van herkenning geven.
Twee mannen moeten ook het huis bewaken wanneer Franciscus er de mis celebreert, zodat één man veilig het gevaar kan komen melden.

In het manuscript Ommelands Eer vermeldt Franciscus ook dat het dorp Uithuizen met zo’n 213 katholieken de grootste concentratie van zijn geloofsgenoten telt.

Het handschrift is nu een bijzonder rijke bron van informatie over de Groningse lokale geschiedenis.

Overlijden

Franciscus Mijleman overleed op 17 januari 1667 op de borg Holwinde bij Usquert, nadat hij met hoge koorts in de stad Groningen had gelegen. Hij werd 56 jaar en werd bijgezet in de grafkelder van zijn adellijke beschermheer, Ludolf van Herema, onder het koor van de kerk in Usquert.

 

Figuur 8 plattegrond van de kerk te Usquert (rode stip = crypte)

 

Na het overlijden van Franciscus bleef zijn post in de noordoostelijke Ommelanden een tijdje vacant. Op 19 mei 1667 kwam er pas een nieuwe missionaris in de persoon van de Nederlandse jezuïet Franciscus van Hoorn.

Franciscus’ nalatenschap

In Groningen en de Ommelanden zijn de katholieken zeker niet dik gezaaid. Toch heeft Franciscus ook nu nog een zekere lokale bekendheid.

In het dorp Uithuizen is een straat naar hem vernoemd. De Mijlemanlaan is een rustig baantje met eengezinswoningen in een groene omgeving.

In het historisch museum te Groningen hangt een geschilderd portret van een jezuïet die volgens de overlevering Franciscus Mijleman voorstelt. Het portret is geschilderd tijdens of vlak na het leven van Franciscus en is toch wel bijzonder te noemen omdat het Franciscus voorstelt als een heilige met een aureool of stralenkrans.

 

Figuur 9 Franciscus Mijleman

 

In de schilderijcollectie van de Nederlandse Provincie van de jezuïeten zitten er echter nog enkele portretten van jezuïeten met een dergelijke stralenkrans. Voor de jezuïeten was het gebruikelijk om hun meest uitzonderlijke leden op dergelijke wijze te eren. Dit is dus duidelijk een uiting van het grootste respect voor Franciscus.

De Hollandse Provincie der jezuïeten heeft dit portret in langdurige bruikleen afgestaan aan het Groninger Museum en wordt dus daar tentoongesteld.

ANNEX Vertaling uit het Latijn van het curriculum vitae van Franciscus Mijleman

 Ik, Franciscus Mijleman, Bruggeling, ben geboren op de 15de maart 1610 uit het wettig huwelijk van mijn vader Petrus Mijleman, kleermaker, en mijn moeder Jacoba Bollaerts die beiden overleden zijn.

Eerst heb ik gedurende zes jaar mijn humaniora gedaan te Brugge bij de paters van de Sociëteit van Jezus. Daarna heb ik me te Douai in het college van Anchin gedurende twee jaar op de wijsbegeerte toegelegd onder leiding van professoren en priesters van de Sociëteit van Jezus en op diezelfde universiteit heb ik mijn graad gehaald.

Daar heb ik ook drie en een half jaar theologie gestudeerd, gedeeltelijk bij de onzen in hetzelfde college van Anchin met als professor de eerwaarde pater Philippe de la Croix en gedeeltelijk (omdat ik, ofschoon in het theologiecollege de la Torre wonend, mij verplicht zag andere colleges te volgen) op het openbare instituut onder de voortreffelijke en sindsdien hoogwaardige heer Gaspar Nemius, bisschop van Antwerpen, en ik heb de graad van baccalaureus behaald.

Tot de heilige wijdingen ben ik toegelaten door onze hoogwaardige heer de bisschop van Brugge in diezelfde stad, en ik heb het ambt van leraar ruim één jaar uitgeoefend op de bogaardenschool in diezelfde stad, tot ik tenslotte, brandend van verlangen naar een hoger leven, mij heb aangeboden voor de Sociëteit van Jezus, waartoe ik door onzen hoogeerwaarde pater Fredericus Tassis, provinciaal van de Vlaams-Belgische provincie van dezelfde sociëteit, in mei 1635, op de 3de zondag na Pasen, te Winoxbergen na het gebruikelijke onderzoek ben toegelaten.

Naar het noviciaat te Mechelen ben ik pas gekomen de 24ste juli 1636, omdat ik volgens het besluit van pater provinciaal eerst de priesterwijding moest ontvangen, vóór ik in het noviciaat mocht treden.

Ik ben ondervraagd door onze pater rector Adrianus Cools, volgens het „Examen Generale" van diezelfde sociëteit, de pauselijke documenten betreffende het instituut en de twee constituties van Gregorius XIII en XIV, die datzelfde instituut bevestigen.

Ik verlang en neem mij voor de constituties te onderhouden, en met name wat op de gehoorzaamheid en de bereidvaardigheid, overal en in alles, betrekking heeft. Eveneens wat de onverschilligheid betreft en mijn plaats in de sociëteit, welke dan ook, en de “rekenschap van geweten” en de bekendmaking van mijn tekortkomingen. En ik neem er vrede mee, dat al wat in mij opgemerkt is door ieder die er buiten de biecht kennis van heeft gekregen, wordt bekendgemaakt.

Tevens ben ik bereid tot de verbetering van anderen mee te helpen en de oversten op de tekortkomingen van anderen attent te maken, als zij dit voorschrijven of vragen, tot meerdere eer van God, alsook om alle werkzaamheden op me te nemen en mijn leven lang les te geven.

Ik beloof ook van al mijn goederen afstand te doen na verloop van één jaar na mijn intrede, wanneer mijn oversten me dit ook maar zullen opleggen.

Ten blijke waarvan ik dit met eigen hand heb geschreven en ondertekend.

Gedaan te Mechelen in het noviciaat van de Sociëteit van Jezus, de derde september 1636.

Naar waarheid,

Franciscus Mijleman

 

Figuur 10 Handtekening van Franciscus Mijleman

 

Illustraties

Figuur 9: Portretschilderij van Franciscus Mijleman, door een anoniem schilder, datering circa 1650-1675, olieverf op doek, 75 cm op 66 cm,
bevindt zich in het Groninger Museum in de stad Groningen, de eigenaar en bruikleengever is de Nederlandse Provincie der Jezuïeten.

Bronnen

  •  Het curriculum vitae dat Franciscus Mijleman schreef in het Album Novitiorum (album van de novicen) bij zijn intrede in de Jezuïetenorde wordt bewaard in het archief van de jezuïetenorde. Vindplaats: Rijksarchief Antwerpen – sectie Archief van de Nederduitse Provincie der Jezuïeten/Provincia Belgica/ Provincia Flandro-Belgica

  • A. Pathuis, “Het handschrift Ommelands Eer van pater Franciscus Mijleman s.j., missionaris der Ommelanden 1639-1667.”
    Artikel verschenen in Archief voor de geschiedenis van de katholieke kerk in Nederland, p. 1-110 (v7 jaargang 1965)

  • J. van Gennip, “Franciscus Mijleman (1610-1667). Een jezuïetenmissionaris werkzaam in de Ommelanden in de zeventiende eeuw.”
    Artikel verschenen in Trajecta. Religie, Cultuur en Samenleving in De Nederlanden, p. 23–55 ( v18 jaargang 2009)

  • 23/01/1613 Doop van zijn broer Willem in Brugge https://www.familysearch.org/ark:/61903/3:1:3Q9M-CSRJ-TS6M-B?cat=koha%3A73069&i=597&lang=nl

  • Franciscus Mijleman, S.J. Vast ende klaer Bewys, 1661, gedrukt door Philips van Eyck, 201 p., vindplaats: Universiteit Maastricht

  • François van der Brugge, Getrouwe Leidsman, 1664. gedrukt door Philips van Eyck, 394 p., vindplaats: K.U.Leuven, Maurits Sabbebibliotheek

  • François van der Brugge, Modell, in een Somma begrepen, 1664. gedrukt door Philips van Eyck, 29 p., vindplaats: Radboud Universiteit Nijme­gen

  • Victor à Campis, Nederlandtsche weer-galm, 1664. gedrukt door Philips van Eyck, 153 p., vindplaats: Koninklijke Bibliotheek Den Haag (microfilm)

  • Victor à Campis, Oude, mede nieuwe vreughde-klanck, 1664. gedrukt door Philips van Eyck, 114 p., vindplaats: Koninklijke Bibliotheek Den Haag (microfilm)

  • Franciscus Mijleman, manuscript Ommelands Eer, 1664, 68 p., vindplaats Rijksarchief van Groningen

Vorige
Vorige

De zonen van Charles Louis Meylemans