Twist, tweedrachticheyt ende altercatie

Het testament van priester Willem Mijleman

Lieve Mylemans

Inleiding

We schrijven 28 december 1529, ten huize van priester Willem Mijleman in de Corte Drijvoetstraete te Mechelen.

Willem is “gesont van lichame ende van herte, gaende, staende, wandelend opter eerten ende zyne memoirie volcomelyc machtich zynde” wanneer hij zijn testament dicteert aan zijn collega-priester Gillis vander Jueght, pauselijk en keizerlijk notaris.

Willem laat ook optekenen dat hij met dit testament problemen tussen zijn vrienden en familie wil vermijden. “om dwelc twist, tweedrachticheyt ende altercatie tusschen die vrinden ende naecomelinghen te verhueden” Dit is een vermelding die we nooit eerder gezien hebben in oude testamenten. Een standaardzin was dit dus zeker niet en misschien had Willem een voorgevoel dat er problemen zouden komen.

 

figuur 1 Het Testament van Willem Mijleman, 28 december 1529, perkament 53 x 57 cm

 

Levensloop van Willem Mijleman

In 1529 woonde Willem in Mechelen maar hij was misschien afkomstig van Heist-op-den-Berg. In zijn testament is namelijk sprake van gronden gelegen te Heist die hij geërfd had van zijn ouders en die in 1529 nog altijd in gebruik waren door zijn broer Jan Mijlemans.

Een bijkomend argument om zijn afkomst en/of zijn connecties te situeren in of vlakbij Heist vinden we in 1502 wanneer een zekere Hendrik Van der Veken en zijn vrouw Elisabeth Mijlemans de zaterdagse mis ter ere van Onze-Lieve-Vrouw in de parochiekerk van Hallaar stichtten. Deze notarisakte werd ondertekend door enkele clerici als getuigen waaronder Willem Milemans. Dit is zeer waarschijnlijk dezelfde priester Willem Mijleman.

Waar Willem zijn opleiding tot priester genoten heeft hebben we niet kunnen achterhalen. De seminaries in o.a. Mechelen en Antwerpen bestonden toen nog niet en Mechelen was tijdens Willems leven zelfs nog geen aartsbisschoppelijke stad. De huidige opdeling in bisdommen dateert immers pas van 1559. Willem was priester van het bisdom Kamerijk met zetel te Cambrai in Noord-Frankrijk dat toen tot de Bourgondische erflanden behoorde. Hoogstwaarschijnlijk heeft hij dus aan het seminarie in Cambrai gestudeerd.

 

Figuur 2 De ligging van het bisdom Kamerijk   bron Wikipedia

 

Om de priesterwijding te ontvangen was echter ook een tweejarige universitaire opleiding in filosofie of theologie of kerkelijk recht vereist. Hiervoor konden de seminaristen terecht aan de universiteit van Leuven die in 1425 opgericht was. Voor Willem lijkt dit een evidente keuze want Leuven ligt niet zo ver van Heist. Toch hebben we Willems naam niet gevonden in de studentenregisters. Aan welke universiteit hij dan wel studeerde (Parijs? Orléans?) blijft dus een open vraag.

Uit het testament blijkt dat Willem de parochie van Hombeek bij Mechelen bijzonder genegen was en hij had er ook een eigen woonhuis. Dit deed ons vermoeden dat hij als pastoor daar werkzaam kon geweest zijn, maar zijn naam komt niet voor in de officiële parochiestukken van Hombeek.

Hombeek was echter een zeer rijk landbouwdorp met riante opbrengsten (de zogenaamde tienden) voor de parochiepriester. Dit had tot gevolg dat er voor dergelijke rijke dorpen veel kandidaat-pastoors waren en het bisdom hierbij de kans zag om deze postjes per opbod aan de meestbiedenden te verkopen. De aangestelde pastoor van zo’n rijk dorp kon dus in alle rust rentenieren van de tienden en betaalde dan een plaatsvervanger een schijntje voor het parochiale veldwerk. Soms werd deze plaatsvervanger officieel aangesteld als deservitor maar vaak ook niet en zien we alleen maar verschil in handschriften in de parochieadministratie. We kennen dus niet alle plaatsvervangers in Hombeek maar het is best mogelijk dat Willem dat ook een tijdje heeft gedaan.

Vanaf 1510 kreeg Willem een mooie promotie, hij werd dan nl. aangesteld als kapelaan van het Sint-Barbara-altaar in de kerk van Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle te Mechelen. Deze functie zal hij tot zijn overlijden bekleden.

Het Sint-Barbara-altaar was opgericht door het echtpaar Jan Scoof en Catelyne Scoenjans die de nodige middelen schonken voor het salaris van een kapelaan met als wederdienst dat deze man 3 missen per week aan dit altaar moest doen. Het altaar was geplaatst in de zuidelijke kruisbeuk en was niet specifiek verbonden aan een ambachtsorganisatie of een religieus broederschap en was dus ook niet financieel afhankelijk van hun goede of slechte economische tijden. Het kapitaal van de stichters voorzag de kapelaan immers van een vast en stabiel inkomen.

In de kerk van Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle staat er nog altijd een Sint-Barbara-altaar maar dat lijkt in de verste verte niet op het oorspronkelijke altaar. Niets, zelfs het houten heiligenbeeld niet, dateert nog van de tijd van Willem.

Het altaar staat ook niet meer op zijn originele plaats. In 1585 werd het verplaatst naar een kapel in de kooromgang om meer plaats te maken voor het ambacht van de visverkopers dat een altaar naast dat van Barbara bezat. Het rijke ambacht van deze visverkopers zal hier in 1619 het drieluik “de wonderbare visvangst” geschilderd door P.P. Rubens, oprichten.

De originele middeleeuwse muurschildering van het Sint-Barbara-altaar is nu nog het enige restant uit de tijd van Willem maar ze is sterk vervaagd en in zéér deplorabele staat.

Figuur 3 Kerkplan met aanduiding van de originele locatie van het Sint-Barbara-altaar (rode stip)

Figuur 4 De muurschildering van het Sint-Barbara-altaar

Een ingewikkeld testament

Toen Willem zijn testament opstelde zat hij er zeker warmpjes in. In de schepenregisters van Mechelen vonden we vanaf het jaar 1498 talrijke vastgoedaktes op zijn naam. Zo bezat hij verschillende huizen in Mechelen en ook één in Hombeek. Ook aktes waarbij hij geld uitleende tegen een vaste interest komen dikwijls voor. Dit alles wijst er duidelijk op dat hij een bemiddeld man was. Er viel dus wel wat te verdelen in zijn testament. Hij dacht aan zijn vrienden, zijn familie, zijn meid en aan goede werken maar in de eerste plaats dacht hij vooral aan zichzelf.

1.   De wensen voor zichzelf

Willem wilde begraven worden in een “sepultuere” (graf) vlak voor zijn Sint-Barbara-altaar. Hij voorzag ook een aantal missen die aan dit altaar moesten gecelebreerd worden. Zo wenste hij een eeuwigdurend jaargetijde voor zichzelf en zijn ouders en ook wekelijks op zaterdag nog een extra gezongen mis. Het mocht dus wat kosten want dergelijke gezongen missen waren veel duurder dan de gewone gelezen missen! Ook voorzag hij nog extra zielenmissen na het overlijden van zijn broer Jan.
Om al deze missen te betalen - natuurlijk in de hoop om sneller in de hemel te geraken - schonk Willem zijn huis met erf in Hombeek aan de parochiekerk van Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle.

2.  Zijn select clubje vrienden

Zijn vrienden kregen elk eenmalig een vast bedrag uitgekeerd. Veel vrienden die hij iets wilde gunnen had hij duidelijk niet, het blijkt maar te gaan om één adellijke familie.
Zo voorzag hij zes rijnsgulden voor jonker Jan van Cortenbach, heer van Keerbergen. Deze woonde in het grote stadspaleis ‘Hof van Cortenbach’ op de Korenmarkt te Mechelen.
Jan van Cortenbach was tevens een buur van Willem die zelf in het steegje “Corte Drijvoetstraete” woonde. De huidige benaming van dit straatje is Cortenbachstraatje, genoemd naar deze adellijke familie.

Figuur 5 Ligging van het hof van Cortenbach (blauw ingekleurd) en het Cortenbachstraatje

Het hof van Cortenbach is in feite een complex van twee paleizen (donkerblauw op de kaart) die aan elkaar gekoppeld werden door de vader van Jan van Cortenbach. Het voorste paleis staat aan de Korenmarkt (nrs. 23-25) met een ingang naar het achterste paleis via de grote inrijpoort (Korenmarkt nrs. 27-29).

In het Cortenbachstraatje (de vroegere Corte Drijvoetstraete) bezat Willem twee woningen naast elkaar: een huis dat op de hoek met de Onze-Lieve-Vrouwestraat stond en aanpalend een huis dat hij zelf bewoonde. Van de huizen van Willem is niets meer overgebleven, ook is niet duidelijk aan welke zijde van het Cortenbachstraatje deze twee huizen stonden

 

Figuur 6 Hof van Cortenbach voorzijde aan de Korenmarkt, anno 1790

 
 

Figuur 7 Het gerestaureerde achterste paleis, anno 2024

 

Verder worden in het testament ook nog legaten vermeld voor de jongere broers van Jan van Cortenbach, met name 3 rijnsgulden voor Lodewijk die kanunnik was te Luik, 3 rijnsgulden voor Franciscus en 12 rijnsgulden voor Jacob van Cortenbach die priester was en woonde in het klooster van Bethaniën net buiten de stadspoorten van Mechelen.

3.  Zijn familie

Willem had in 1529 nog een zus en een broer in leven. Zijn zus Katelyne verbleef in ter Crancken, de infirmerie van het groot begijnhof van Mechelen. Zij was er begijn en stond in voor de ziekenzorg aldaar.
Waar zijn broer Jan woonde wordt nergens vermeld maar vermoedelijk was dit dus in Heist waar hij de erfgronden van hun ouders in gebruik had. Jan was tweemaal gehuwd en had uit beide huwelijken kinderen: twee dochters Lijsbeth en Berbelen uit zijn eerste huwelijk en een zoon Peeter uit zijn tweede huwelijk. Lijsbeth en Berbelen waren beiden gehuwd, Peeter was nog ongehuwd en minderjarig.

Zijn zus Katelyne zal een jaarlijkse rente van 12 rijnsgulden ontvangen zolang zij leeft. Hiervoor stond een obligatie garant waarvan de opbrengst na haar dood zal toekomen aan Jan indien deze dan nog leeft. Indien dit niet het geval zou zijn, moest die obligatie naar de tafel van de huisarmen van Hombeek gaan.

Jan zal de gronden die Willem van hun ouders had geërfd en al in gebruik waren door Jan, uiteindelijk in volle eigendom verwerven. Verder moest hij missen laten doen voor Willem en hun ouders en stond hij in voor het beheer van de obligatie die diende om hun zus Katelyne de lijfrente van 12 rijnsgulden uit te betalen.

Peeter, de zoon van Jan, erfde een jaarlijkse rente van 20 rijnsgulden waarvoor een van de uitstaande leningen van Willem garant stond. Indien Peeter zou overlijden zonder wettige nakomelingen moest dit bedrag naar zijn twee halfzussen Lijsbeth en Berbelen gaan. Deze twee nichtjes van Willem werden bijzonder karig bedeeld, eigenlijk erfden zij niets, tenzij hun jongere broer Peeter kinderloos zou overlijden. We denken dat hierin de oorzaak ligt dat deze vrouwen naar de rechtbank stapten na het overlijden van hun oom.

4.  De goede werken

Om de Almachtige hierboven gunstig te stemmen voorzag Willem ook substantiële giften voor de tafel van de huisarmen van zowel Hombeek als Mechelen. Deze tafels werden parochiaal georganiseerd en deelden aalmoezen en hulpgoederen uit aan de armen van de eigen parochie. Willem voorzag een eenmalig bedrag van 100 rijnsgulden voor de tafel van Hombeek en enkele erfelijke rentebrieven voor de tafel van Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle.

5.  Royale begunstiging van zijn meid

Welstellende mensen voorzagen normaal gezien ook een legaat voor hun dienstpersoneel. De knechten en meiden moesten immers een nieuwe betrekking zoeken en daarom werd hen meestal enkele weken loon uitbetaald om niet zonder inkomen te vallen tijdens hun zoektocht naar ander werk.
Margriete Verhorst was de inwonende “maerte” (dienstmeid) van Willem. Dat was de officiële versie maar volgens ons was zij wel iets meer dan een meid. Dat leiden we af uit enerzijds de bijzonder genereuze schikking die Willem in zijn testament zette en anderzijds ook uit de omfloerste omschrijving “die hem veele diensten gedaen heeft ende noch daeghelycs doet”. Dat is nl. een beschrijving die wel meer gebruikt werd om een goed verstaander in te lichten zonder grote beschuldigingen te uiten. In de tijd van Willem namen vele priesters het echt niet zo nauw met de celibaatsverplichting want zelfs hun bisschop gaf het “goede” voorbeeld met concubines en bastaardkinderen.

Margriete verkreeg het vruchtgebruik van het huis in de Corte Drijvoetstraete waar zij bij Willem inwoonde. Het andere huis dat hij bezat in hetzelfde straatje gaf hij in vruchtgebruik aan Caterinnen, de zus van Margriete Verhorst. De zussen verkregen dit vruchtgebruik bovendien kosteloos want de jaarlijkse cijnzen (belastingen) die op de huizen rustten moesten betaald worden door zijn broer Jan.

Ook in het levensonderhoud van Margriete en Caterinnen werd voorzien door de opbrengst van een obligatie van Willem. Die opbrengst werd hen niet uitbetaald maar moest dienen om hen levenslang te voorzien van 6 broden per week. Willems broer Jan stond ook hier in voor de praktische afhandeling van deze schikking.

Willem wenste dat na het overlijden van Margriete en Caterinnen zijn huizen zouden gaan naar de tafel van de huisarmen van Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle, dus niet naar zijn broer die toch wel wat extra kosten en werk had met dit testament.

De executeurs van het testament van Willem 

Willem vermeldde in zijn testament niet minder dan 5 executeurs, waarvan 4 collega-priesters: Maerten Zouwe, kanunnik en prior van het kapittel van Zellaer in de Sint-Romboutskerk, Peeter Wuytiers, kapelaan in de Sint-Romboutskerk, Pauwel Verlinden, kapelaan in de kerk van Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle, Arnout van Zellaer, kanunnik van het kapittel van Zellaer en Arnout van Waterloos, een “eersame” poorter van Mechelen.

Willem voorzag voor elk van hen 4 rijnsgulden om hun te presteren werk te vergoeden.

Notaris Gillis vander Jueght (°ca. 1485 - +1562)

De notaris die Willem had uitgekozen voor zijn testament was blijkbaar niet zomaar de eerste de beste. Gillis was ook priester en maakte een blitzcarrière in de toenmalige kerkelijke hiërarchie. Zo cumuleerde hij in 1529 de volgende functies: pauselijk en keizerlijk notaris, kapelaan en keldermeester van het kapittel van Sint-Rombouts, landdeken van Kamerijk, deken van Brussel, pastoor van Nekkerspoel en pastoor van het klooster Ter Siecken te Mechelen.
Alsof dat nog niet genoeg inkomen opleverde werd hij later ook nog pastoor van Baardegem (vanaf 1530), Grembergen (vanaf 1535), Meldert (vanaf 1541) en pastoor en deken van de kerk van Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle te Mechelen (vanaf 1550). Hij bleef evenwel in Mechelen wonen en voor zijn Oost-Vlaamse parochies werd een plaatsvervanger betaald om het pastorale werk te doen.

Het testament van Willem Mijleman bevat onderaan ook de handtekening en het handmerk van Gillis vander Jueght. Dit schitterend uitgevoerde handmerk is een staaltje van geduld en millimeterprecisie!

 

Figuur 8 Handmerk van Gillis vander Jueght

 

Twist, tweedrachticheyt ende altercatie

Het begrafenisregister van de Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijlekerk begint pas na het Concilie van Trente en bevat dus geen gegevens over Willems overlijden. Maar eind april 1530 werd een nieuwe kapelaan benoemd voor het Sint-Barbara-altaar en in een schepenakte van 12 april 1530 werd de lijfrente voor zijn zus Katelyne geregeld. Tussen 28 december 1529 (het testament) en 12 april 1530 (de schepenakte) moet hij dus overleden zijn. Willem heeft dus maar maximaal enkele maanden langer geleefd.

Enkele legaten, zoals dat voor zijn zus Katelyne en de vaste bedragen voor de vrienden, konden vrij eenvoudig uitgekeerd worden maar de problemen begonnen toen er discussie ontstond tussen de familie en de kerkelijke overheid.

Het gaf ons onmiddellijk te denken dat de volgende schepenaktes van de afhandeling van het testament meer dan 3 jaar later geregistreerd werden. In die tussentijd is er blijkbaar het een en ander gebeurd.

Het testament werd door de familie eerst bij de schepenbank betwist. Wat de uitkomst hiervan was hebben we niet gevonden, maar de familie ging daarna in beroep bij het hoogste rechtsorgaan van de Bourgondische Nederlanden: de Grote Raad van Mechelen!

De schepenaktes van 1533 registreerden het uiteindelijke vonnis van de Grote Raad. Magistraat Claude Doublet die de procureur was voor de kerkelijke rechtszaken bij de Grote Raad kwam in hoogsteigen persoon naar de schepenbank van Mechelen om het vonnis te betekenen.

Wat vertellen deze schepenaktes ons?

Jan Mijlemans, de broer van Willem, en zijn zoon Peeter Mijlemans waren ondertussen blijkbaar overleden en Jans dochters, Lijsbeth en Berbelen, hadden de zaak aanhangig gemaakt bij de Grote Raad.

Het testament werd uiteindelijk niet letterlijk uitgevoerd, twee belangrijke wijzigingen werden doorgevoerd:

  1. Het huis van Willem in Hombeek werd niet aan de kerk gegeven om de misintenties te betalen. In de plaats hiervan werden enkele rentebrieven aan de kerk geschonken.

  2. De tafel van de huisarmen van Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle kreeg de kapitale som van 800 rijnsgulden in de plaats van de twee huizen in de Corte Drijvoetstraete.

Hoeveel Lijsbeth en Berbelen uiteindelijk erfden (of overhielden?) is niet duidelijk omdat we noch in het testament noch in de schepenaktes een duidelijk zicht krijgen op het totale vermogen van Willem.

Of Margriete Verhorst en haar zus in 1533 nog leefden komen we ook niet te weten, het werd nergens vermeld. Het vruchtgebruik stond dus niet ter discussie of was misschien ook al uitgedoofd?

Bronnen

In het stedelijk archief Mechelen (SAM)

  • 27/12/1529 Testament van Willem Mijleman SAM, Fonds Robert Foncke, nr. 239

  • Het Fonds Berlemont voor de locatie van de Corte Drijvoetstraete

In de erfgoedbibliotheek Mechelen

  • J.BAETEN, Verzameling van Naamrollen, betrekkelijk de kerkelijke geschiedenis van het aartsbisdom van Mechelen, 3 delen, Mechelen s.d.

Aktes raadpleegbaar op de website van Familysearch

1.  Financiële transacties van Willem Mijleman

Achtergrondinformatie

  • “Twist, tweedrachticheyt ende altercatie” betekent in modern Nederlands “twist, tweedracht en onenigheid”

  • Een rijnsgulden bevatte 24 stuivers. De Carolusgulden werd gelijkgesteld aan 20 stuivers. De rijnsgulden was bijgevolg iets meer waard dan de Carolusgulden.

  • P. LEVENS, Genoeg Oorlog! Mechelen na de Vrede van Munster, Mechelen 2016
    Dit boek bevat veel informatie over en een stamboom van de juristenfamilie Doublet.

  • F. VANDER JEUCHT, “Een biografie van Gillis vander Juecht (Mazenzele ca. 1485 – Mechelen 1562) en van zijn zuster Jacomijne (Mazenzele ca. 1505 – Mechelen 1578)” Artikel verschenen in Eigen Schoon en De Brabander, Asse, jg. LXXXIX, nr. 2, 2006, p. 221-278

Vorige
Vorige

Het artistieke pad van Marc Mylemans

Volgende
Volgende

De medaille van Ome Jacques