Lesken Mijlemans
meesteres van het convent Zoete Naam Jezus
Lieve Mylemans
Inleiding
In het Groot Begijnhof van Mechelen binnen de stadsmuren worden in de loop van haar bestaan van 1595 tot 1993 slechts twee begijntjes met de familienaam My(ij)lemans vermeld.
Katelijn Mijlemans werd geprofest in 1611 en overleed er in 1636. Lesken Mijlemans trad toe in 1602 en overleed in 1631. Over Katelijn hebben we bitter weinig informatie kunnen vinden. Lesken daarentegen liet meer sporen na in de archieven omdat zij carrière maakte op het begijnhof.
1595 Heroprichting van het Groot Begijnhof
Op 16 februari 1578 werd het Groot Begijnhof dat gelegen was buiten de stadsmuren van Mechelen op bevel van de Spaanse gouverneur volledig vernield om de oprukkende protestantse troepen geen mogelijkheden tot verschansing te bieden.
Zo’n 1500 vrouwen waren van de ene dag op de andere berooid en dakloos. Velen onder hen vertrokken naar naburige steden, vooral naar Brussel, Antwerpen en Leuven. Sommigen zochten ook tijdelijk onderdak bij hun familieleden en nog anderen probeerden in te treden in andere begijnhoven of kloosters.
Het bestuur van het begijnhof (dit waren de vier hofmeesteressen, de meesteres van de infirmerie en de kerkmeesteres) kon vrij snel het leegstaande Keizershof in de binnenstad van Mechelen huren. Dat Keizershof was het voormalige paleis van Margareta van York, de weduwe van de Bourgondische hertog Karel de Stoute. Het paleis was ondertussen via erfenis eigendom van de Spaanse koning Filips II geworden.
Nadat het begijnenbestuur de huur gesloten had kwam een aantal begijntjes terug uit ballingschap en vormden zo opnieuw een kleine begijnengemeenschap in het Keizershof.
Het idee van de begijnen om het Keizershof en de omliggende woningen ook definitief als nieuw begijnhof in te richten kreeg echter geen groen licht van Filips II.
De begijntjes zochten daarop een andere locatie in de binnenstad van Mechelen die geschikt was om een nieuw begijnhof op te richten. Hun oog viel op een dunbevolkte wijk vlakbij de stadsvesten aan de noordwestzijde van de stad. In 1595 kon het begijnenbestuur het hof van Fontes aankopen in de Nonnenstraat, in 1596 gevolgd door de aankoop van het grote huis Sint-Bernaerts dat ze wilden inrichten als infirmerie.
Ditmaal gaf koning Filips II wel toestemming aan de begijnen. Hun nieuwe werkdomein werd door hem dan ook definitief bepaald: van de Nonnenstraat en de Kromme Elleboogstraat tot aan de Mechelstraat en de stadsvesten. Het totale terrein bedroeg zo’n 12 hectare, iets kleiner dan hun oude begijnhof van ongeveer 15 hectare.
Figuur 1 Stadsplan van JB De Noter (kopie van het stadsplan van Jan Van Hanswijck, circa 1560) Het noorden is links.
Rood omlijnd: het oude begijnhof buiten de stadsmuren
Geel omlijnd: de locatie voor het nieuwe begijnhof in de binnenstad
Paarse stip: het Keizershof
Na het akkoord van Filips II stond niets de ontplooiing van het nieuwe begijnhof nog in de weg. Wel moesten de begijntjes nog zorgen voor de aankoop van alle bestaande woningen in het gebied en de verhuis van het klooster van de Cellenbroeders dat ook op het terrein stond.
Tientallen jaren lang was het kwartier één grote bouwwerf: extra straten werden getrokken, drie poorten werden geïnstalleerd en nieuwe woningen en begijnenconventen werden opgericht. Lesken en Katelijn Mijlemans hebben hun hele begijnenleven in deze grote bouwwerf gewoond. Met al die werken zal het niet altijd even rustig geweest zijn.
De begijnen beschikten ook vrij snel over een eigen, weliswaar voorlopige kerk. Al op 25 mei 1596 werd deze ingewijd door aartsbisschop Matthias Hovius.
Intrede van Lesken en Katelijn in het begijnhof
Lesken Mijlemans werd geprofest als begijntje in 1602, de exacte datum ontbreekt want haar naam staat enkel in de alfabetische lijst van de intredes onder de hoofding Ao xvic twee (letterlijk betekent dit “Anno 16h twee”). Voor deze intrede betaalde zij het symbolische bedrag van 3 stuivers.
Figuur 2 Inschrijving van Lesken Mijlemans in het register van het Groot Begijnhof, 1602
Voor de allerarmste begijntjes bestond er ook een systeem van leningen met borgstelling. Zij die zelfs hun bescheiden uitzet van een bed, huisraad en habijt niet konden betalen konden het geld hiervoor lenen bij een begijntje dat wat kapitaalkrachtiger was. In het register van de leningen en borgstellingen komt de naam van Lesken Mijlemans echter niet voor, zij was dus in staat om haar uitzet zelf te betalen.
Katelijn Mijlemans werd geprofest in 1611 en zij betaalde maar 2 stuivers. Het intredegeld was altijd zeer bescheiden en kon naar boven of naar beneden aangepast worden, afhankelijk van de financiële mogelijkheden van het begijntje in kwestie. Waarschijnlijk kwam Katelijn dus uit een zeer bescheiden familie, maar ook haar naam komt niet voor in het register van de leningen.
Figuur 3 Inschrijving van Katelijn Mijlemans in het register van het Groot Begijnhof, 1611
Waar en wanneer Lesken en Katelijn Mijlemans geboren werden hebben we nergens gevonden. Zij waren misschien ook niet afkomstig van de stad Mechelen want het nieuw opgerichte begijnhof trok heel wat vrouwen aan van de dorpen rondom Mechelen.
We weten ook niet of Lesken en Katelijn familie van elkaar waren. Evenmin hebben we schepenaktes gevonden waarin ze (een deel van) het familiale bezit erfden. Ook hebben we geen testamenten van deze twee vrouwen gevonden. Dat alles doet ons sterk vermoeden dat beiden van zeer bescheiden komaf waren en ook niet veel persoonlijke bezittingen hadden om na te laten.
Aangezien volgens de statuten van het Mechelse begijnhof enkel vrouwen van minstens 25 jaar oud mochten geprofest worden veronderstellen we dat Lesken geboren was rond 1575 en Katelijn rond 1585. Maar we kunnen er met deze schatting ook fameus naast zitten want ook op latere leeftijd zijn er nog vrouwen ingetreden. Zolang ze maar ongehuwd, katholiek en gezond waren en in hun levensonderhoud konden voorzien met een eervol beroep was het mogelijk om in te treden.
Het convent “Zoete Naam Jezus” of Jezusconvent
Een convent was een gemeenschapshuis waar verschillende begijnen samenleefden. Meestal waren dit relatief arme vrouwen die zich geen eigen begijnenhuisje konden permitteren en dan maar voor enkele stuivers per jaar een kamer huurden in een convent.
Maar ook de rijkere begijnen maakten kennis met het leven in een convent. Volgens de statuten van het Mechelse begijnhof moesten alle novices tijdens hun proeftijd verblijven in een convent ofwel – maar dat was eerder uitzonderlijk – verblijven bij een begijn van onberispelijke levenswandel die de desbetreffende novice met argusogen moest evalueren.
In Mechelen waren er geen conventen die alleen maar novices huisvestten, dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld het begijnhof van Lier waar dat wel het geval was. Sommige conventen hadden dus een gemengde bewoning van zowel begijnen als novices. Het convent Zoete Naam Jezus kon ook novices opnemen die er geplaatst werden door de hofmeesteressen.
Het convent Zoete Naam Jezus werd in 1599 opgericht door de rijke begijn Barbara Van Schoor. Zij was kerkmeesteres geweest in het oude begijnhof en was een van de stichtende leden van het nieuwe begijnhof binnen de muren. Samen met twee hofmeesteressen had zij in 1595 het Hof van Fontes aangekocht.
In haar testament van 1595 besliste zij dat na haar dood een convent moest opgericht worden in het gedeelte van het Hof van Fontes dat zij bewoonde en waarvan zij eigenaar was. Het convent moest de naam “Sueten Naem Jhesus” dragen en was bedoeld als woning voor acht begijnen: een meesteres, een priorin en 6 gewone begijntjes die “conventskinderen” genoemd werden. Novices werden eveneens toegelaten indien er op dat moment geen zes conventskinderen gehuisvest waren.
De meesteres, priorin en de zes conventskinderen kregen ook een zeer bescheiden jaarinkomen:
Figuur 4 Het jaarinkomen van de bewoners van het convent, fragment uit het testament van Barbara van Schoor
Transcriptie
“ …, de meestersse vanden selven
convente acht gulden, de priorinne sesse gulden, ende
elcke vande andere convents kinderen tot zesse toe, vyff
gulden al Jairlyck, …”
Zelfs een jaarlijks recreatiebudget van 6 gulden en 5 stuivers had Barbara Van Schoor voorzien maar zonder hier nader in te gaan op wat deze recreatie exact inhield.
Figuur 5 Het jaarlijks budget voor “recreatiën”, fragment uit het testament van Barbara van Schoor
Transcriptie
“…, noch gheeft, maeckt ende
laet sy der voorcreven meestersse, priorinne ende
zesse kinderen, hondert gulden eens, dair mede dat sy
wilt dat men coopen sal sesse gulden vyff stuuvers
erffelyck, ende dat die jairlyck vuyt gereyct sullen
worden, thunder recreatien …”
Figuur 6 Het Hof van Fontes in de 16de eeuw voor de verkoop aan de begijnen, door J.B. De Noter
Het Hof van Fontes als dusdanig bestaat niet meer, het enige overblijfsel nu is de grote open poort naar enkele achterliggende begijnenwoningen. Het steegje dat naar deze kleine woningen leidt heet nog altijd Jezuspoort, genoemd naar het Jezusconvent.
Figuur 7 De huidige situatie met de Jezuspoort
De eerste meesteres van het Jezusconvent
Maria Van den Berghe was de eerste meesteres van het pas opgerichte Jezusconvent. Uit haar testament blijkt duidelijk dat zij een welstellende begijn moet geweest zijn. Zo bezat zij een kostbaar besloten hofje dat zij naliet aan het convent Zoete Naam Jezus.
Een besloten hofje is een houten relikwie- en devotiekastje dan aan de voorzijde beschermd wordt door glas. Het stelt een tuin voor die afgesloten is met een hekje. Enkele heiligenbeeldjes zijn geplaatst in een idyllische omgeving te midden van natuurelementen. Tegen de achterwand van de kast werden versierde medaillons bevestigd tussen een rasterpatroon van allerlei kleine relieken die in papieren rolletjes ingepakt werden.
Figuur 8 Voorbeeld van een Mechels besloten hofje
Een gedetailleerde beschrijving van het hofje van Maria van den Berghe ontbreekt echter in haar testament en dus kunnen we niet achterhalen over welk exemplaar het gaat en evenmin of dit specifieke hofje nu nog bewaard is.
Na het overlijden van Maria van den Berghe konden de begijnen van het Jezusconvent zich dus verheugen in een mooie relikwiekast om hun dagelijkse gebeden tot hun Schepper te richten.
Bij het lezen van het testament van Maria Van den Berghe deden we bij toeval een bijzondere ontdekking. Zij had nl. heel wat te verdelen. De belangrijkste begunstigden waren haar familieleden. Maar er waren ook nog enkele kleinere legaten aan enkele begijntjes, zoals eenmalig twee gulden aan Barbara vanden Eynde, haar zilveren lepel aan Jenneke van Bruesegem en “twee nieuw hempden” aan Lijnken Mijlemans.
Figuur 9 Lijnken Mijlemans twee nieuw hempden (zie onderlijning), fragment uit het testament van Maria Van den Berghe
Van het individuele leven van de gewone begijntjes komen we in de archieven van het begijnhof zeer weinig of zelfs niets te weten. Begijntjes waren vroom aan het bidden en stil en naarstig aan het werk en zo bescheiden dat hun leven in volledige anonimiteit verliep. Behalve deze vermelding in Maria’s testament hebben we geen extra informatie over het leven en werk van Katelijn/Lijnken Mijlemans op het Mechelse begijnhof kunnen achterhalen.
Lesken wordt de tweede conventmeesteres
Toen Joanna Vermeulen, de meesteres van de infirmerie van het begijnhof, eind december 1611 overleed werd Maria van den Berghe aangesteld als de nieuwe meesteres van de infirmerie. Lesken Mijlemans werd daarop aangeduid als de nieuwe meesteres van het Jezusconvent. Waarschijnlijk was zij voordien al priorin van het convent en betrof dit een gewone doorschuifoperatie naar aanleiding van de promotie van Maria Van den Berghe.
Lesken Mijlemans wordt in enkele aktes vermeld wanneer er financiële transacties op naam van het convent moesten vastgelegd worden en zij al dan niet samen met een hofmeesteres haar convent vertegenwoordigde bij de schepenbank of een notaris. Zonder deze officiële aktes zou het leven van Lesken zo goed als onbekend gebleven zijn want van de administratie van het Jezusconvent zelf is heel weinig bewaard gebleven.
Toch wordt Lesken zelfs in officiële stukken niet altijd bij naam genoemd. Zo is er in het Mechels stadsarchief een boekje bewaard met dubbels van kwitanties die particulieren ontvingen wanneer zij hun jaarlijkse schuld betaalden. In deze kwitanties wordt nooit de naam van de conventmeesteres vernoemd.
De bescheidenheid van de begijntjes mag hen dan wel sieren, maar dat helpt een onderzoeker niet altijd vooruit…
Ter verduidelijking een voorbeeld van een dergelijke kwitantie van 11 december 1627, dus ten tijde van Lesken Mijlemans als conventmeesteres.
Figuur 10 Kwitantie van 11 december 1627 zonder vermelding van de naam van de conventmeesteres (met eigen onderlijning)
Transcriptie van de onderlijnde tekst : “ter versoucke van Jouffr meestersse van het convent van sueten naam Jhesus opt groot bogaijnhoff”
Het strak georganiseerde leven in het Jezusconvent
Het dagelijkse leven in een convent en de bevoegdheden van de meesteres werden geregeld in de algemene statuten van het begijnhof en verder gespecifieerd in de statuten van het desbetreffende convent.
Het algemeen reglement dat voor alle conventen van toepassing was tekende de krijtlijnen uit en bevatte maar 6 artikelen :
De conventmeesteres regelde zowel de zakelijke als de geestelijke zaken van het convent.
De stichtingsakte en het huishoudelijk reglement van het convent werden voorgelezen op de 4 vrijdagen van de quatertemperdagen.
De pastoor van het begijnhof en de hofmeesteressen bezochten de conventen eenmaal per jaar om alle wereldlijke en geestelijke zaken te controleren en eventueel te bestraffen. Wanneer de vastgestelde gebreken wat te gortig waren kon de conventmeesteres ook afgezet en vervangen worden.
Geen enkel begijntje dat in een convent woonde mocht iemand laten inwonen in haar convent. Wie in welk convent woonde werd alleen door de hofmeesteressen bepaald.
Geen enkel begijntje mocht haar convent verlaten zonder voorafgaande toestemming van de conventmeesteres, ook niet wanneer ze gewoon op het begijnhof bleef voor een wandelingetje.
De conventshuizen moesten onderhouden worden door de begijntjes van het convent.
Verder moesten alle begijntjes, dus ook zij die in een eigen huis woonden, dagelijks de mis bijwonen in de kerk. Op zondagen en heiligendagen was de dienst uitgebreider met een preek door de pastoor en opgeluisterd door het zangkoor van de novices. De begijnen van de conventen gingen in groep naar de kerk o.l.v. hun conventmeesteres en in de kerk hadden zij een vaste afgebakende plaats, het “stedeken van het convent” genoemd.
Dagelijks moest elke begijn ook de gebedsstonden (metten, lauden, priem, terts, sext, none, vespers en completen) bidden. Welke gebeden hierbij opgezegd moesten worden werd opgelegd door de pastoor van het begijnhof. Meestal bestond dit uit twaalf onzevaders en twaalf weesgegroetjes op de metten en de lauden. Voor de andere gebedsstonden volstonden zeven onzevaders en zeven weesgegroetjes. Voor de begijntjes die in een convent woonden werden deze gebeden vaak bepaald in de statuten van hun convent maar in de statuten van het Jezusconvent is hiervan geen sprake, deze begijntjes volgden dus de algemene regel.
Tenminste eenmaal per maand moesten ook alle begijnen te biecht gaan bij de pastoor van het begijnhof, een andere biechtvader was hun verboden. Begrijpelijkerwijze heeft deze regel voor heel wat wrevel gezorgd, op deze manier werden de begijntjes immers bijzonder gecontroleerd.
In de conventen moest men naast de algemene regels van het begijnhof ook het “huishoudelijk reglement” van het convent stipt naleven. Sommige conventen waren hier al wat strenger dan andere.
Het convent Zoete Naam Jezus behoorde duidelijk tot het strengere type. Naast de huishoudelijke taken die men om beurt uitvoerde, moesten de begijntjes van het Jezusconvent ook nog een hele resem gebeden opzeggen terwijl ze aan het werk waren. Dat werk bestond voornamelijk uit spinnen, borduren, naaien en kantklossen wat men in de gemeenschappelijke ruimte op de benedenverdieping uitvoerde.
Figuur 11 Beeld “Mechelse Kant “ 2015, een hedendaagse hulde aan de vlijtige begijntjes
In de voormiddag moesten de begijntjes de zeven boetepsalmen met litanie bidden gevolgd door drie onzevaders en drie weesgegroetjes ter ere van de Heilige Drievuldigheid. Na het middageten volgden dan nog één “Miserere Mei”, één “De profundis” en vijf onzevaders en vijf weesgegroetjes ter ere van de heilige vijf wonden van Christus. In de namiddag werden ze ook nog verwacht in de kerk voor het Magnificat.
Wie om de een of andere reden gestraft was, deed er ’s avonds nog eens zeven onzevaders en zeven weesgegroetjes ter ere van de zeven bloeduitstortingen bovenop.
Naast het verplichte aantal op te zeggen gebeden tijdens het werk werd er door de conventmeesteres ook nog voorgelezen uit een geestelijk boek om “alsoo toe te neemen in de catholijcke deught”.
De conclusie is hier duidelijk: de begijntjes van het Jezusconvent hadden een volle dagtaak aan bidden en ter kerke gaan. “Bid terwijl je werkt, werk terwijl je bidt” mag gerust het levensmotto genoemd worden. Het Jezusconvent hield de touwtjes zo strak in handen dat er van enige persoonlijke vrijheid totaal geen sprake meer kon zijn.
Groot feest op het begijnhof
Rond 1627 beslisten de begijnen om hun voorlopige kerk te vervangen door een fatsoenlijk bedehuis, helemaal in de nieuwe barokstijl die toen in de mode kwam. Inspiratie haalden ze hierbij in Scherpenheuvel waar de nieuwe basiliek (ingewijd in 1627) tot ieders verbeelding sprak.
De Mechelse begijnen contacteerden Wenzel Cobergher (de architect van de basiliek van Scherpenheuvel) maar die had het blijkbaar te druk met zijn opdrachten voor de aartshertogen Albrecht en Isabella en stelde daarom zijn schoonbroer Jacques Francart voor als alternatief.
15 juni 1629 was een heuglijke dag voor onze begijntjes. Dan kwam immers aartsbisschop Jacobus Boonen in hoogsteigen persoon naar het begijnhof om de eerste steen te leggen van de nieuwe kerk. Na de aartsbisschop volgden nog de hofmeesteressen, de meesteres van de infirmerie, van de kerk, van het koor, van de H. Geesttafel en alle meesteressen van de conventen. Ook onze conventmeesteres Lesken Mijlemans heeft hier dus letterlijk haar steentje bijgedragen.
Na deze plechtige ceremonie was er een groot feest voor alle begijntjes en daar zullen wel velen naar uitgekeken hebben. Eens goed feestvieren en lekker eten moest zeker kunnen, hun leven was al eentonig genoeg. De Mechelse begijnen hadden trouwens een reputatie als het over feesten ging. Die feesten waren vrij zeldzaam, maar eens er een gelegenheid was om te feesten dan duurde het feest verschillende dagen lang en mocht het ook wat kosten. De uitdrukking "dat is begijnenkost" wordt door oudere Mechelaars trouwens nog altijd gebruikt om heel lekker eten aan te duiden.
Figuur 12 Het Groot Begijnhof circa 1650 met de pas voltooide kerk (ingewijd in 1647), tekening van J.B. De Noter
Het begrafenisregister van het Groot Begijnhof
Onze conventmeesteres overleed ’s morgens op 27 december 1631. Was ze een milde meesteres geweest voor de begijntjes in haar convent of eerder een verzuurde kwezel met rigide principes?
We weten het niet maar hopelijk hebben haar vele gebeden haar toch gerustgesteld dat ze een plaatsje in de hemel had verdiend.
Figuur 13 Overlijden van Lesken Mylemans op 27 december 1631 's morgens
Katelijn Mijlemans overleed op 5 juli 1636 na een leven in volstrekte anonimiteit. Woonde zij ook in het Jezusconvent of in een ander convent? Of werkte zij misschien als zuster in de infirmerie? We weten het totaal niet.
Figuur 14 Overlijden van Lijnken Mijleman op 5 juli 1636
Verwante artikelen
Lijsbeth Mylemans (ca. 1500 - 1562), een begijntje met een missie
Bronnen
In het stedelijk archief Mechelen (SAM)
1588 en 1591 statuten van het nieuwe Groot Begijnhof van Mechelen SAM 9436
21/06/1599 testament van Barbara Van Schoor SAM 9601
19/08/1599 statuten van het convent Zoete Naam Jezus SAM 9601
Anno 1602 inschrijving van Lesken Mijlemans in het register van het begijnhof SAM 9441
Anno 1611 inschrijving van Katelijn Mijlemans in het register van het begijnhof SAM 9441
31/10/1616 akte notaris Pieter Buijdens met vermelding van Lesken Mijlemans SAM 366 f°251r
09/09/1617 akte notaris Jan Harlinghen met vermelding van Lesken Mijlemans SAM 903 f°472r
19/09/1617 akte notaris Jan Harlinghen met vermelding van Lesken Mijlemans SAM 903 f°486r
17/06/1623 testament van Maria Van den Berghe SAM 366 f°354r
11/12/1627 kwitanties van het Jezusconvent zonder naamsvermelding SAM 9601
Schepenaktes raadpleegbaar op de website van Familysearch
23/12/1616 https://www.familysearch.org/ark:/61903/3:1:3QHV-J384-56T3?i=523&cat=80373 filmrol 8696336 eerste beeld 524
07/11/1618 https://www.familysearch.org/ark:/61903/3:1:3QHV-V384-RLVB?i=604&cat=80373 filmrol 8696886 eerste beeld 605
01/01/1624 https://www.familysearch.org/ark:/61903/3:1:3QHV-J3DG-V928-B?i=20&cat=80373 filmrol 8722756 eerste beeld 21
26/04/1624 https://www.familysearch.org/ark:/61903/3:1:3QHV-V3DG-V9PM-H?i=80&cat=80373 filmrol 8722756 eerste beeld 81
14/08/1624 https://www.familysearch.org/ark:/61903/3:1:3QHV-J3DG-V92K-S?i=225&cat=80373 filmrol 8722756 eerste beeld 226
19/09/1628 https://www.familysearch.org/ark:/61903/3:1:3QHV-V3DG-2N89?i=289&cat=80373 filmrol 8722758 eerste beeld 290
Parochieregisters raadpleegbaar op de website van Familysearch
29/04/1630 begrafenisakte van Maria Vanden Berghe https://www.familysearch.org/ark:/61903/3:1:3Q9M-CS1T-T3W4-M?i=39&cat=712889
filmrol 8433321 beeld 40
27/12/1631 begrafenisakte van Lesken Mijlemans https://www.familysearch.org/ark:/61903/3:1:3Q9M-CS1T-T3W4-9?i=40&cat=712889
filmrol 8433321 beeld 41
05/07/1636 begrafenisakte van Katelijn (Lijnken) Mijlemans https://www.familysearch.org/ark:/61903/3:1:3Q9M-CS1T-T3WW-1?i=43&cat=7128
filmrol 8433321 beeld 44
Illustraties
Het getoonde stadsplan van Mechelen (figuur 1) is een fragment uit de plattegrond van Mechelen van circa 1560, naar het originele plan van Jan van Hanswijck, (kopie door J.B. de Noter in 1802). Het originele plan wordt bewaard in het Mechels stadsarchief.
Beeldbankreferentie SME001001846
Het beeld “Mechelse Kant” van beeldhouwer Gaston Cornelis staat in het Groot Begijnhof van Mechelen, tegenover de kerk en tegen de muur van het dodenhuisje van de begijnen.
Extra literatuur voor de geïnteresseerde lezer
Begijnhoven in Vlaanderen, in Openbaar Kunstbezit Vlaanderen, jaargang 2001, nummer 4
J. VERHAVERBEKE, Begijnen en begijnhoven, wegwijzers van de Lage landen, Mechelen, 2011
F. VERMUYTEN, Het begijnhof van Mechelen en zijn kerk, Antwerpen, 1973
Voor bijkomende informatie over de verschillende Latijnse gebeden, kerkrituelen, quatertemperdagen, gebedsstonden en besloten hofjes die in dit artikel besproken worden verwijzen we graag naar de op de markt beschikbare encyclopedieën, zowel online als gedrukt op klassieke wijze.