Lijsbeth Mylemans (ca. 1500- 1562), een begijntje met een missie

Lieve Mylemans

Inleiding

In de tijd waarin er nog geen parochieregisters bestonden en alleen mensen met bezittingen naar de schepenbank of een notaris gingen is het niet verwonderlijk dat de meeste mensen geen enkel spoor hebben achtergelaten.

In de eerste helft van de 16e eeuw leefde Lijsbeth Mylemans een ogenschijnlijk onopvallend leven als begijn op het groot begijnhof van Mechelen. Toch heeft zij een merkwaardig spoor nagelaten want toen zij in januari 1562 met haar spaargeld naar het Mechelse stadsbestuur stapte had ze wel een heel bijzonder doel voor ogen!

Dit artikel gaat over onze zoektocht naar het levensverhaal van Lijsbeth Mylemans.

Een prachtige oorkonde op perkament

In het Mechels stadsarchief, - in de sectie van het archief van het Groot Begijnhof - vonden we begin 2023 bij toeval een oorkonde op naam van een zekere Lijsbeth Mylemans, begijn op het groot begijnhof van Mechelen.

Het gevonden document dateert van 31 januari 1562 en is een originele rentebrief, op een vel doorschijnend perkament van ongeveer 40 bij 60 cm grootte, in een prachtig handschrift geschreven, secuur opgeplooid en eeuwenlang zorgvuldig bewaard.

Deze vondst mogen we gerust bijzonder noemen. Het is inderdaad ongelofelijk dat een dergelijk privé document meer dan 450 jaar later überhaupt nog bewaard gebleven is en bovendien in onberispelijke staat is.

Figuur 1 De rentebrief van 31 januari 1562

Wat is een rentebrief?

Een rentebrief was in feite een soort belegging. We kunnen dit nu het best vergelijken met een obligatie aan toonder waarbij je een bepaald kapitaal inlegt en hiervoor in ruil een vaste periodieke rente ontvangt. Dergelijke financiële constructies waren populair voor mensen die wat spaargeld hadden: in de sok onder de matras bracht het geld immers niets op en het stadsbestuur had toen ook al de gewoonte boven haar stand te leven en was dus continu op zoek naar extra cashgeld.

Lijsbeth Mylemans betaalde 160 Carolusgulden aan de stad Mechelen die in ruil aan haar - of later aan haar erfgenamen - jaarlijks een rente van 6,25% moest betalen. Omgerekend kreeg zij dus jaarlijks 10 Carolusgulden uitbetaald.

160 Carolusgulden was in elk geval een flink kapitaal wanneer een gewone arbeider toen ongeveer 15 à 20 Carolusgulden per jaar verdiende.

De rente kon Lijsbeth tweemaal per jaar opeisen: een eerste schijf van 5 Carolusgulden op 31 januari en vervolgens de tweede schijf van 5 Carolusgulden op 31 juli.

In de rentebrief wordt bovendien geen mogelijkheid tot kapitaalaflossing vermeld. Het was dus niet de bedoeling dat die 160 Carolusgulden ooit terugbetaald zouden worden door de stad. Een eeuwigdurende belegging aan 6,25% , dat was voorwaar geen slechte financiële transactie!

Bovendien evolueerde de uitbetaling ook mee met de inflatie. De Carolusgulden was ook de goudstandaard tegenover alle andere munten en elk jaar stelde de Spaanse overheid de koers van de munten die in omloop waren (bijvoorbeeld de Rijnse gulden, de Vlaamse groten, e.d.) vast tegenover deze Carolusgulden. Bij inflatie gold dat de courante betaalmunten op deze wijze gedevalueerd werden en dan kreeg je méér courant geld voor je Carolusgulden.

De rentebrief is zodanig opgesteld dat iedereen die de brief kon tonen op de gestelde datum van 31 januari of 31 juli het recht had de rente op te eisen. Een dergelijke perkamenten brief aan toonder was zeker belangrijk voor de bezitter en zal ook wel zeer zorgvuldig bewaard en veilig bewaakt geweest zijn want het betekende een belangrijk en vooral een vast inkomen.

Omdat de rentebrief nu nog altijd bewaard wordt in het archief van het Mechelse Groot Begijnhof kunnen we stellen dat de rentebrief het begijnhof nooit verlaten heeft. Lijsbeth heeft deze brief dus niet doorgegeven als erfenis aan haar familieleden buiten het begijnhof, maar wat is er dan wel gebeurd?

Om de verdere geschiedenis van de rentebrief te achterhalen zijn we op onderzoek getrokken, maar eerst geven we jullie over Lijsbeth Mylemans nog wat achtergrondinformatie die we gevonden hebben in enkele schepenaktes en in de schaarse administratie van het begijnhof zelf.

Wie was Lijsbeth Mylemans?

Uit enkele gevonden schepenaktes blijkt dat Lijsbeth Mylemans afkomstig was van Nekkerspoel, ze had er ook een eigen huis dat ze verhuurde want ze woonde en werkte als begijn op het begijnhof dat toen nog buiten de stadsmuren van Mechelen lag.

Lijsbeth was zeker niet arm, dat kunnen we besluiten uit het feit dat zij geen borgstelling nodig had bij haar intrede in het begijnhof en dat haar naam niet voorkomt op de persoonslijsten van de conventen waar minderbegoede begijnen voor enkele stuivers een kamer konden huren.

Maar ze was ook niet echt rijk, dat blijkt uit het feit dat we nergens een spoor gevonden hebben van de aankoop van een eigen begijnenwoning. Lijsbeth moet dus een huisje gehuurd hebben, alleen of samen met een andere begijn.

Het beroep van Lijsbeth kennen we niet maar gezien het feit dat de begijnen vooral beroepsmatig actief waren in de textielsector is er geen reden om aan te nemen dat Lijsbeth iets totaal anders zou gedaan hebben.

Figuur 2 Stadsplan van 1560 getekend door Jacob van Deventer, met onze inkleuring van het begijnhof en Nekkerspoel

Het begijnhof buiten de poorten bevond zich iets ten noordwesten van de binnenstad. Zie onze inkleuring links boven op het stadsplan uit die tijd. Het Mechelse begijnhof was het grootste van Vlaanderen en ten tijde van Lijsbeth Mylemans woonden er zo’n 1500 vrouwen. Het begijnhof werd omwald door muren en grachten. Toch bood dat onvoldoende bescherming en in 1578 toen een aanval van de rebellerende protestantse troepen gevreesd werd, werd het begijnhof op bevel van de Spaanse gouverneur Pontus de Noyelles volledig vernield.

Nekkerspoel, ingekleurd rechts boven op het plan, was een grote drukbevolkte wijk met een eigen parochiekerk. In datzelfde jaar 1578 werd ook Nekkerspoel inclusief de kerk met de grond gelijkgemaakt en de huidige wijk lijkt in niets meer op haar historische voorganger.

Lijsbeth Mylemans is echter al voordien overleden, de totale vernieling van haar vertrouwde omgeving heeft zij dus gelukkig niet meer meegemaakt.

Dagdagelijkse activiteiten van de begijnen

Begijnen waren ongehuwde vrouwen die weliswaar sterk religieus geïnspireerd in groep samenleefden maar niet tot een kloostergemeenschap toetraden. Zij behielden hun economische zelfstandigheid – zij bleven eigenaar van hun persoonlijk roerend en onroerend vermogen – en ze legden slechts tijdelijke geloften af waardoor zij altijd op hun keuze konden terugkomen.

Zolang zij wensten te wonen op het begijnhof dienden zij wel strikt de regels van het begijnhof te volgen: een celibatair, vroom en sober leven en solidariteit met de minderbedeelden waren hierbij essentieel.

In het museum Hof van Busleyden te Mechelen bevindt zich een merkwaardig schilderij dat ons een goed idee geeft van het dagdagelijks leven van de begijntjes op het groot begijnhof buiten de stadsmuren.

Figuur 3 Schilderij “Werkzaamheden van de Mechelse begijnen (1578)”

In 46 taferelen worden de voornaamste activiteiten van de begijnen weergegeven. Het merendeel ervan heeft te maken met de vervaardiging en de bewerking van textiel. De tafereeltjes gaan steeds vergezeld van een moraliserende tekst op rijm, waarin alle handelingen moeten inspireren tot een sterkere religieuze beleving.

We illustreren dit met enkele voorbeelden in detail:

Figuur 4 Textielactiviteiten

Tafereel links: Begijnen hangen laken te drogen.

“Suster hangende laeken op om droogen
Nempt in uwe wercken Godt vor oogen”

Tafereel midden: Begijnen spoelen en slaan het laken op het bleekhof.

“Suster als wij ons laeken spuelen ende slaen
Denckt op Jesus swaere slage voor U ontfaen”

Tafereel rechts: Begijnen dragen het gespoelde laken weg.

“Suster als wij met de laken gaen gheladen
Denct hoe sware cruijs Jesus moeste dragen”

Figuur 5 Textielactiviteiten

Tafereel links: Twee begijnen bereiden wol en spannen de draad op het wiel.

‘Suster als wy de pese op d’wiel spannen
Denckt hoe Jesus aen het cruys is gehangen”

Tafereel midden: Twee begijnen kaarden de wol.

“Suster soe wy nu bereyden de wolle tot laeken fijn
Laet ons eer wy scheyden teghen de doot bereit sijn”

Tafereel rechts: Twee begijnen zijn aan het borduren.

“Suster wy met verscheijden wercken onze netten besteken
Te vreede u ziele met veel deuchde en wilt niet vergheten”

Figuur 6 Andere activiteiten

Tafereel links: Een begijn leert een novice lezen en schrijven.

“Suster laet ons soe schrijven en lesen
Dat onse ziele dys te bat mach wesen”

Tafereel midden: Twee begijnen met witte omslagdoek gaan naar de kerk.

“Suster, laet ons god ghaen loeven
t sijn die wercken van hier boeven”

Tafereel rechts: De kosteres ontsluit de kerkdeur.

“O heere soe ick die deure des tempels ontsluyte
Soe wilt myn hertte in u liefde ontspruythe”

De familie van Lijsbeth Mylemans

Figuur 7 Stamboom van Lijsbeth Mylemans

Lijsbeth had een broer Nicasius – roepnaam Casen – en een schoonzus Margriet Gebuers. Haar vader heette Jan maar de naam van haar moeder hebben we niet kunnen achterhalen.

Vader Jan Mylemans bezat een huis in de Ballemansstraat op Nekkerspoel. Vlakbij dit huis stond het grote huis met twee woningen (een voor- en een achterhuis) van de familie Gebuers. Casen trouwde dus met zijn buurmeisje.

De huizen zijn al lang verdwenen en de omgeving is onherkenbaar veranderd maar voor wie wil weten waar ergens op Nekkerspoel deze huizen stonden geven we hier even de coördinaten bij benadering: 51°01'50.7"N 4°29'34.0"E.

De familie Gebuers moet vrij welstellend geweest zijn want zij had in Duffel-Perwijs ook nog heel wat gronden en een hoeve in bezit en uit de erfenisakte van 1535 van haar ouders weten we dat Margriet met haar man Casen o.a. de twee woningen op Nekkerspoel erfde.

Figuur 8 “Gezigt van Neckerspoel na de kaart van 1560” getekend door J.B. De Noter

 

Dit oude plan geeft een goed idee van het 16de-eeuwse Nekkerspoel. De Ballemanstraat loopt van de brug (rechtsonder) langs de kerk naar de twee waterpoelen (linksboven). Deze poelen waren een oriëntatiepunt en worden in de aktes van de familie Mylemans meestal vermeld.
De huizen van de twee families stonden in de Ballemansstraat, vlakbij die waterpoelen en bij de hoek met de Mandenstraat. Deze Mandenstraat is de smalle voetweg helemaal aan de linkerzijde van de tekening en komt uit in de Ballemansstraat bij twee bomen.


Nekkerspoel was in de 16e eeuw een belangrijk centrum van de lakennijverheid, het zogenaamde Mechels laken dat een wereldreputatie had werd vooral in de buitenwijk Nekkerspoel vervaardigd. De mensen die er woonden waren dus wevers, volders, spinsters, kaarders, ververs en droogscheerders. Wat het exacte beroep was van vader Jan Mylemans en zijn zoon Casen weten we niet want het werd nergens in een akte vermeld. Van Joos, een van de zonen van Casen, weten we het wel, hij staat in 1580 op de ledenlijst van het voldersambacht. Volders hadden grote hoeveelheden water nodig om het laken te vollen en dan was wonen vlakbij een waterpoel natuurlijk erg praktisch. We denken dus dat Jan en Casen waarschijnlijk ook volders waren.

Een genereuze schoonzus Margriet

Casen is ergens tussen 1541 en 1546 overleden want uit een akte van 1547 blijkt dat Margriet Gebuers ondertussen hertrouwd is. Hun twee zonen Jan en Joos moeten dan al meerderjarig geweest zijn want hun namen komen niet voor in de registers van de Mechelse weeskamer.

In 1547 geeft Margriet het vruchtgebruik van twee woningen in de Ballemansstraat aan haar schoonzus Lijsbeth en dit voor zolang Margriet nog zou leven. Na haar overlijden moest het eigendomsrecht van die twee huizen naar haar zonen Jan en Joos gaan.

Lijsbeth woonde op het begijnhof en had deze woningen niet nodig om er zelf in te wonen. Zij verhuurde haar eigen woning en ook de twee woningen waarvan zij het vruchtgebruik had en op deze wijze had zij dus een extra inkomen.

Een donatio inter vivos

Willem van den Brant was in het midden van de 16e eeuw pastoor op het begijnhof maar hij was tevens een geletterd man en als dusdanig ook actief als notaris. Deze pastoor heeft heel wat akten van de begijntjes opgesteld. Dat was voor deze vrouwen ook heel gemakkelijk, dan moesten ze niet meer te voet naar een notaris in de stad. We zochten dus specifiek in het stadsarchief tussen al deze aktes van Willem van den Brant of er misschien een testament van Lijsbeth geacteerd werd door hem.

We vonden spijtig genoeg geen testament, maar wel iets anders dat nog veel interessanter bleek dan een klassiek testament. Tussen al die perkamenten vonden we nl. een “donatio inter vivos” of een schenkingsakte.

Op 10 mei 1562 – dus maar enkele maanden na de opstelling van de rentebrief – regelde Lijsbeth de volgende stap van haar plan. Ze schonk haar rentebrief aan het godshuis van Leliëndael dat op het begijnhof stond. Dit godshuis kon dus vanaf dan telkens de rente innen maar er was wel een voorwaarde aan verbonden. Het godshuis moest met de opbrengst zorgen voor de bedeling van brood van een halve stuiver per stuk, aan alle oude en arme begijntjes. Deze brooduitdeling moest ten eeuwigen dage plaatsvinden telkens op de vooravond van het feest van de H. Drievuldigheid.

Het feest van de heilige Drievuldigheid, of ook wel de heilige Drie-eenheid genoemd, is nu al lang geen speciale feestdag meer maar was vroeger wel een van de hoogdagen van het kerkelijk jaar. De dag valt nu nog altijd op de zondag na Pinksteren.

Door deze schenking zal de rentebrief op geen enkele wijze nog deel uitmaken van de bezittingen van Lijsbeth wanneer zij komt te overlijden. Haar erfgenamen zullen dus geen recht hebben om deze rentebrief op te eisen.

Figuur 9 Fragment uit de schenkingsakte van 10 mei 1562

transcriptie:

“donatione inter vivos heeft ghegheven ende midts deesen
opt den godtshuyse van Leliendael staende opt voers beghijnhof
op alsulcken last dat voerss godtshuys alle jare ten eeuighen daghe
op die heylegher drywulicheyts avent een yghelyck arm ende aut
beghynken vant voerss beghynhof in den ghemeynen deylen sal
met broot van eenen halven st(uiver) deylen sal, …”

Het godshuis van Leliëndael was eigenlijk een soort sociale zekerheidsinstelling van het begijnhof. Het was speciaal opgericht als een convent voor begijnen die arm geworden waren doordat zij door ouderdom of ziekte niet meer zelf konden instaan voor hun eigen levensonderhoud. Deze arme begijntjes werden er verzorgd en ontvingen kost en inwoon dat betaald werd door de bijdragen van de nog werkende begijnen.

Figuur 10 “Suster dient de ziecke minelyck in allen tijden daer voer suldij u eeuwelijck inden hemel ver blijden”

Hoeveel begijntjes er in het godshuis geholpen werden is niet meer te achterhalen, statistieken of inschrijvingslijsten ontbreken spijtig genoeg. Maar het is wel duidelijk dat rond 1550 – dus de tijd van onze Lijsbeth – het eigenlijke godshuis te klein was om iedereen te huisvesten want er bestonden toen nog extra bijhuizen.

Met de vondst van de schenkingsakte weten we nu dus ook waarom de rentebrief nog altijd in het archief van het begijnhof zit en het begijnhof dus inderdaad nooit verlaten heeft.

De nalatenschap van Lijsbeth Mylemans

Lijsbeth moet vrij snel na de notariële schenking overleden zijn. Dat ze zelfs de eerste uitbetalingsdatum van 31 juli 1562 niet gehaald heeft kunnen we afleiden uit twee notariële aktes van 28 juli 1562.

Haar neven Jan en Joos Mylemans (de zonen van Casen en Margriet) lieten nl. op 28 juli 1562 acteren bij de Mechelse notaris Thielens dat zij tot een overeenkomst met de executeurs van het testament van hun tante gekomen waren.

Lijsbeth had dus toch een testament opgesteld. In de aktes staat dat haar testament bij notaris Vuytemans op 26 februari 1561 genoteerd werd. De administratie van notaris Vuytemans is echter niet bewaard in het stadsarchief, waardoor we dus niet van de details op de hoogte zijn.

De executeurs waren begijntje Elisabeth van Landorp en Anneke Van Puers, de vrouw van Joos Crabbé. Of deze vrouwen ook erfgenaam waren weten we niet, maar het is wel waarschijnlijk omdat het toen gebruikelijk was om de hoofderfgenamen als executeur aan te duiden.

Een begijntje dat erft lijkt bovendien logisch, het is best mogelijk dat de twee begijnen samen in hetzelfde huis woonden en hierdoor kon het huisraad gewoon overgenomen worden door de langstlevende. Wie Anneke van Puers is hebben we niet kunnen achterhalen, zij was misschien een goede vriendin van Lijsbeth.

Er was bij de afhandeling van de nalatenschap wel een probleem opgedoken: Lijsbeth had de opbrengst van het vruchtgebruik van de twee huizen van haar schoonzus Margriet te lang genoten. Margriet was immers al acht jaar vroeger overleden en toen had het vruchtgebruik in feite moeten uitdoven. Waarschijnlijk hebben de twee neven hun tante niet te veel willen lastigvallen en lieten ze maar betijen want bij het overlijden van tante Lijsbeth zouden ze toch wel voldoende erven. Maar met haar testament liep dat dus wel een beetje anders af dan verwacht.

In de eerste akte van 28 juli 1562 verkregen Jan en Joos Mylemans de terugbetaling van die extra acht jaar vruchtgebruik. De twee executeurs betaalden hen onmiddellijk de waarde van 50 Carolusgulden uit.

De tweede akte van 28 juli 1562 regelde de eigenlijke erfenis. Lijsbeth had in haar testament voor elk van haar neven een legaat voorzien van 40 Carolusgulden. De executeurs betaalden hen contant 80 Carolusgulden uit.

Jan en Joos werden dus in 1562 eindelijk volle eigenaar van de twee woningen waarvan Lijsbeth het vruchtgebruik gekregen had. Op 18 december 1562 hebben ze deze woningen verkocht voor 80 Carolusgulden. In vergelijking met de waarde van het vruchtgebruik lijkt dit niet zo veel, misschien waren de woningen niet meer in goede staat.

Gezien de snelle opeenvolging van de feiten kunnen we ons niet van de indruk ontdoen dat Lijsbeth doortastend gehandeld heeft toen ze haar einde voelde naderen: haar spaargeld werd vanonder haar matras gehaald en interessant belegd (in januari), de rentebrief werd vervolgens geschonken aan het goede doel (in mei) en bij haar overlijden kregen haar resterende goederen ook een nuttige bestemming (in juli).

Haar missie was volbracht en Lijsbeth Mylemans kon in vrede gaan rusten.

Figuur 11 “Suster alsoe ghy u cleeren schoon wast, suijvert u ziel eer u de doot verrast"

Bronnen

In het stedelijk archief Mechelen (SAM)

31/1/1562 rentebrief van Lijsbeth Mylemans SAM 0006-6236

10/5/1562 schenkingsakte donatio inter vivos SAM 0006-9449 f°110

28/7/1562 eerste akte: overeenkomst van Jan en Joos i.v.m. het vruchtgebruik SAM 0280-1700 f° 232v 
28/7/1562 tweede akte: Jan en Joos ontvangen ieder 40 Carolusgulden als erfenis  SAM 0280-1700 f° 233r

Aktes raadpleegbaar op de website van Familysearch

Aktes van de schepenbank van Duffel

1535 erfdeling van de familie Gebuers met een hoeve te Duffel en woningen te Nekkerspoel
https://www.familysearch.org/ark:/61903/3:1:3QHV-V38H-H96F-L?i=72&cat=40532

1535 erfdeling van de familie Gebuers met gronden te Duffel
https://www.familysearch.org/ark:/61903/3:1:3QHV-J38H-H9Z6-M?i=66&cat=40532

Aktes van de schepenbank van Mechelen

1536 financiële transactie van Casen Mylemans en Margriet Gebuers
https://www.familysearch.org/ark:/61903/3:1:3QHV-V384-69H7-D?i=329&cat=80373

1538 financiële transactie van Casen Mylemans en Margriet Gebuers
https://www.familysearch.org/ark:/61903/3:1:3QHV-J384-P8YX?i=198&cat=80373

1540 financiële transactie van Casen Mylemans en Margriet Gebuers
https://www.familysearch.org/ark:/61903/3:1:3QHV-J384-P63X?i=552&cat=80373

1547 Margriet Gebuers schenkt het vruchtgebruik van de 2 woningen aan Lijsbeth
https://www.familysearch.org/ark:/61903/3:1:3QHV-J384-LPRZ?i=141&cat=80373

1562 Jan en Joos verkopen de 2 woningen
https://www.familysearch.org/ark:/61903/3:1:3QHV-V384-5G4?i=344&cat=80373

Illustraties

Het schilderij “De werkzaamheden van de Mechelse begijnen (1578)” is eigendom van het Mechelse OCMW dat het in langdurige bruikleen gaf aan het stedelijk museum Hof van Busleyden. Olieverf op doek, 114 x 150 cm , anonieme schilder(es)

Jan-Baptist De Noter (1786 – 1855) was een Mechels tekenaar en aquarellist die heel wat Mechelse stadszichten getekend heeft. Hij baseerde zich hierbij vaak op oude tekeningen en plannen, zoals ook hier bij zijn “Gezigt van Neckerspoel na de kaart van 1560” (zie Figuur 8)

Vorige
Vorige

Het nageslacht van Hendrick Mylemans in de periode tot 1800

Volgende
Volgende

Het nageslacht van Hendrick Mylemans in de periode tot 1800